is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straat door, die langs een oud kerkje draait, dan langs een paar smalle bochten, waar oude huizen staan, den dijk af naar den veerdam, daar houdt hij in. Het paard staat te stampen en te brieschen in de sneeuw. De dokter stapt uit. Hij staat voorovergebogen, de wind snijdt hem koud in den mond. Nardje de Wit in het donker staat te trantelen op zijn hooge klompen.

— Ziede ge 't nou zelf, mijnheer den dokter?

De dokter wandelt naar de pont. Hij tracht door het donker en door de jaagsneeuw heen over de Maas te zien, vlakbij aan het water hoort hij het kreunen van het ijs in het loeien van den storm.

— Wacht mij hier even, zegt hij tegen Willem den knecht.

Hij gaat, de handen in de zakken, den veerdam weer op. Hij komt weer op den dijk en wandelt de dorpsstraat in, het wordt hier vaag wit van de sneeuw. Om den hoek, in een laag winkeltje, woont Janus van Langen Dirk. De winkelruit is dik bevroren, in de bloemen straalt het klein en warm van de lamp daarbinnen. De winkelbel gaat, en Janus van Lange Dirk komt meteen naar voren.

— Wel, mijnheer den dokter!

— Gij durft alles, niet waar?

Janus van Lange Dirk lacht gevleid, daar staat hij voor bekend, dat hij alles durft.

— Ik durf eenen heelen hoop, ja, zegt hij.