is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daaraan nu zijn herinnering. Aan haar eendere gebaren, als ze een boterham op een bordje sneed, als ze melk inschonk. Als zij een kast opende en een kroes daaruit nam. Er wringt den jongen iets in zijn keel, om zijn moeder en om zijn vader. Hij hoort dat woord nog: poppetje, in dien mannelijken, vaderlijken, ernstigen mond. Hij hoort de volle en bevende plechtigheid nog van dat woord: nimmer weer. Nimmer weer, hij herhaalt dit in zichzelf en wil den zin van dit woord verstaan. Waarom was hij zoo diep onder den indruk gekomen en zoo angstig geworden, toen hij zijn vader gebogen bij de lijkkist zag staan met het sleuteltje en hij hem zoo uiterst behoedzaam de beide deksels sluiten zag, de handen van vader maakten zichzelf voorzichtig in de aanraking, ge hoorde het dichtgaan van de deksels niet. De jongen is vervuld van onrust. Hij is nadien, als zij te bed gaan, de eenige die wakker blijft. De jongen voelt de koelheid der lakens. Hij heeft eerst zwijgend gelegen bij het praten en fluisteren der anderen. Dat ging op den langen duur verminderen. Hij merkte, hoe de een na den ander insliep en hoe het stil in de kamer werd.

Hij luistert naar alles. Naar het diep en vervulde suizen van de stilte zelf, naar de regelmatige ademhaling van zijn broers. Naar de stappen op straat van iemand, die voorbijgaat. Naar het ratelen van een ankerketting in de Maas en naar het ruischen