is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijksdaalder. Zij spugen nu alle drie. Zij kijken het mannetje voor hen na. Zij beginnen er weer achteraan te slenteren. Zij zijn onverzadigbaar. Zij hebben plannen. Zij kijken linies. Zij kijken rechts. Zij kijken naar achter. Er is geen sterveling op den weg te zien, er is niets dan de geweldige, groote eenzaamheid van den polder aan den eenen kant en de verlaten grienden langs de Maas aan den anderen kant. De drie zetten het nu op een drafje, ze hebben dat mannetje in zijn gekkenhuispakje gauw genoeg weer ingehaald. Zij trekken hem van achter aan zijn zwarte haren, die onder het te klein hoedje uitkomen. Dit prikkelt dokter Rits misschien een beetje, het is een geluk, dat hij in den grond van zijn hart zachtmoedig is, daarom beheerscht hij zich nog. Hij draait zich om en vraagt vriendelijk:

— Wat is er, sympathieke lieden?

Wat er is? Ze komen er nu maar rechtuit mee voor den dag. Een van de drie, wat heeft hij zijn pet scheef staan, hij tart er de heele wereld mee. Hij knijpt de oogen half dicht, komt, de handen in de zakken naar voren en geeft met den linkerschouder dokter Rits een zetje boven de borst. Maar dokter Rits heeft iets onverzettelijks in zijn geduld, hij wijkt niet terug. Wat er was? Er was niets anders, dan dat hij die portemonnaie nu maar eens moest geven, dan zouden ze er zelf wel eens wat uithalen. Geef op!

Ze vormen zoo'n driehoek om hem heen, hij kan