is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wij hebben den tijd. Hij kan vóór of achter het huis niet uit, of we zien hem. Hij zal hier komen om zijn hondje.

Het hondje keek bij deze woorden subiet op. Het ging onrustig wat op en neer loopen, ge hoorde zijn pootjes tikkelen op den glad geschrobden planken vloer, en ge hoorde, hoe het hondje zijn ooren schudde. Het tjoekerde wat, dat deed het zeker van spijt, dat de wachtmeesters niet weg gingen. Onder het kaarten keken de wachtmeesters niet meer op de klok. Ze troefden stevig. Ze haalden de slagen binnen, ze waren aan de winnende hand en Thijs van Erpen moest zijn stuivers neertellen. Dat zou allemaal nog niks geweest zijn, maar de eene wachtmeester moest ergens naar toe, hij had misschien nog even willen uitstellen, maar het duurde nog al een tijdje eer ze weer terug zouden zijn in Oss. En daarom stond hij maar op. Hij vroeg voor den vorm iets aan Thijs van Erpen. Ja, zei Thijs van Erpen en hij wees over zijn schouder heen.

— Door die deur, en dan ziede ge de andere deur vanzelf, ge hebt er ook nog gekeken, toen ge in het huis aan het zoeken waart.

De kaarten zijn nu even neergelegd, totdat de wachtmeester terug zal zijn. Thijs van Erpen kijkt eens achterom. Het hondje, het is weer overeind gekomen, het komt nieuwsgierig eens kijken.