is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

De jonge bestuursambtenaar Fred Monsen leunde over de railing van den grooten oceaanstoomer, en tuurde naar den donkeren, beboschten heuvel, die slechts een smalle reep strand vrij liet, en als 't ware dreigde de kleine haven in de zee te schuiven. Achter hem de zee, eeuwig eender en grijs onder het tropenlicht. Op duizenden plaatsen was 't watervlak flauw ingedrukt, 't schrille licht verzilverde de waterbuiten, zoo dat 't leek of tallooze platte, witte visschen boven dreven.

Na dagen reizen wordt de zee eentonig, leeg en ijl. De verrassing van 't water wordt een vermoeiende verveling, waaraan zelfs niet te ontsnappen is in de larmoyante luxe van de scheepssalons. Men danst en eet, er is flirt en drank, en daar loop je tusschen door met je onbeholpen handen en verlegen houding; in den avond verdonkert de zee en licht op in den morgen tot een grijze, eeuwig eendere vlakte.

De heuvel werd voor Monsen een verademing. Dat was 't houvast van de aarde, met de donkere geheimzinnigheid van een tunnel, die hij door zou moeten trekken, en die hem ergens in 't onbekende uit zou laten, als de nieuweling. De man, die uit 't moederland in de steppen van de kolonie komt om te werken, en te beschaven. „Beschaven!" — dacht Monsen. Hij voelde de onbewuste neiging in zijn spieren om z'n schouders op te trekken.