is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

Den volgenden morgen vertrok Monsen naar zijn standplaats. Zijn laatste zorg voor zijn vertrek uit de residentie was 't huren van den boy: den kok en huisbediende. Hij huurde een oudgediende, die door 't vertrek van zijn meester was vrij gekomen.

De man grijnsde breeduit bij iedere vraag, en gaf alles toe. „Ben je eerlijk?" — „O ja, — eerlijk!" met een uitdrukking op zijn gezicht en een wijd gebaar van zijn handen, of dat de deugd was, die hij juist bij uitstek heel zijn leven door beoefend had.

Monsen keek hem twijfelachtig aan, en gaf het vragen op. Hij nam den man in dienst.

't Was een stralende dag, toen hij in zijn standplaats arriveerde en zijn huis betrok. Met de verwonderde nieuwsgierigheid van een, die een nieuw huis betrekt, liep hij de kamers door, twee schraal bemeubelde vertrekken, en twee leege hokken. Hij bekeek een voor een zijn meubels, zware, houten stoelen, waarschijnlijk door een of ander in z'n vrijen tijd in elkaar getimmerd. Hij bukte zelfs naar de blikken schaaltjes gevuld met water, onder de pooten van al z'n meubelen. Hij vond 't een interessante en primitieve manier om de mieren, die rustelooze vreetwagens, tegen te houden.

Het huis was blinkend wit gekalkt, opgetrokken uit baksteen, een groot strooien dak sprong ver vooruit, om den brand van de zon van de muren te weren.