is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begreep Visiri niet. Hij was een opperhoofd, een heerscher, een grondbezitter. Hij had een erfgoed, 'n paar onbeduidende lapjes ontgonnen land, en 'n onmetelijk jachtterrein. Dat was groot en mooi. Uit de bevolking trok hij zijn bestaan.

Hoe kon een man dit weg gooien, en zich met het werken van zijn eigen handen afmatten.

In zijn hart vloekte Visiri de blanken. Die waren in alles onverzadigbaar.

„Acht jaar is hij weg!" — klaagde Visiri.

Hij begreep het niet. Zeker vijftig vrouwen lagen klaar om hem in hun armen te ontvangen, of als akkermeiden voor hem op 't land te werken, en op zijn wensch 's avonds een feestdans in te richten, terwijl de doffe trom bromde, en op dien maatslag plakten de voetzolen op den grond, rolden lijven op de knieën en schokten de heupen.

Monsen probeerde hem te troosten.

„Komen er nooit terug uit de mijnstreek?" — vroeg hij.

'n Oogenblik vlamde haat door Visiri's oogen, waarop ze

weer verdoften. Hij schudde zijn hoofd.

„Weinig heer!" — zei hij.

De meesten stierven, uit heimwee naar hun stam, en ontwend aan werken.

Anderen vluchtten, van de eene onderneming naar de andere, zonder waarde, en kwamen terug.

Enkelen zetten zich neer, en begonnen aan landbouw, en onttrokken zich aan Visiri's gezag.

Monsen richtte zich op.