is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V

Toen Frank terug was, vertrok Monsen voor zijn eerste rondreis.

Drie en twintig dragers stonden, onder aan de vlaggemast, geschaard rondom de koffers.

't Was heerendienst. Ze waren opgeroepen en kwamen. Drie en twintig zwarten.

Ze loerden telkens naar de koffers, enkele hadden zelfs gewaagd er 'n paar op te tillen om de vracht te keuren: ze hadden allen voorkeur voor slechts één last: den lichtsten, die allen hoopten te bemachtigen.

't Was een stralend heete dag, en de vlag hing lusteloos als een slappe gekleurde doek langs den mast omlaag. Als een militair commandant stond Monsen voor de rij stomme zwarten en schreeuwde ze beurt om beurt toe:

„Naam?... Dorp?" en wees den koffer aan, dien de neger te dragen had.

Een kwam vooruit, en voerde 't woord voor allen, deemoedig en kinderlijk.

„Heer, hoe moeten we die koffers dragen?"

Ze toonden allen hun tanden en wachtten. Dat was een moeilijkheid, dat was een berg.

Monsen voelde lust tot lachen: één groot en donker stel kinderen, met de goedhartige slimheid van een primitief verstand. Hij keek ze aan, een voor een, en vroeg kortaf: „Zou ik soms moeten dragen?... Luister: vandaag ga ik

Moeder ik sterf. 5