is toegevoegd aan je favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't droge lintgras, waar hij dwars doorheen gedragen werd — hij kwam er niet heelemaal boven uit, — brak en knakte van dorheid en de vlijmscherpe halmen sneden z'n handen en z'n gezicht tot bloedens toe open. Hij schreeuwde, en met 'n ruk stond de tipoï. Heel de kleine, zwarte karavaan stond stil.

Met z'n handen trillend van kwaadheid en onmacht stapte Monsen uit. Hij verdacht zijn dragers van opzet. Hij bulderde een commando en opnieuw zette de kleine karavaan zich in beweging. Licht, als 'n kleine sierlijke tempel, gleed de tipoï door 't droge steppengras. De dragers zongen.

Monsen liep. Maar de zon werd een oven, met de deuren naar de aarde wijd opengeworpen. Nu en dan was de lucht zoo verhit en ijl, dat hij als een op 't land geworpen visch, snel en hijgend naar adem snakte, omdat de eerste teugen zijn longen nog niet half vulden.

De lucht leek vloeibaar en kroezelde, als blonde, zonnige meisjeslokken.

Met een schorren kreet deed Monsen de karavaan weer stil houden. Hij strompelde naar den tipoï, en heesch zich weer naar binnen. Hij had geen kracht meer om te schreeuwen, en wenkte slechts met zijn hand naar den boy, aan 't hoofd der kleine karavaan. Hij werd opgeheven en gedragen, zwijgend door een verzengd land, en liet zich schommelen op 't stappen van de dragers.

Verscheidene dorpen trokken ze door. Grootere en soms