is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vermoeiende gedachte: „God nog toe, 'n ding als 'n gewone poldersloot, en daar kom je niet over heen!"

Gezeten voor de hut van het dorpshoofd, die zich wat achteraf hield, keek hij toe. Mannen en vrouwen dansten, begeleid door 't zoemende grommen van de trommen, en bij handeklappen en zagerig zingen.

De vlammen beschenen de zwarte snoeten met een gele, rossige gloed.

Allen dansten, zonder uitdrukking in hun trekken, bijna verveeld, en beeldden in 't wringen van hun lichaam geslachtsdrift en paring uit, die in den nacht hun donker leven zouden bezielen.

Toen Monsen zich naar zijn tent terug trok, volgden hem twee vrouwen. Onderdrukt giechelden zij hem toe en draaiden met hun heupen. Op wie zou de keuze vallen, want voor den nacht was een van hen voor den blanke bestemd. Hij keerde op zijn stappen weer en beloonde de gastvrijheid van het goedwillige dorpshoofd met 'n paar frankstukken. Dit wekte diens hebzucht op; hij wenkte terstond een jong meisje bij zich en bood het aan. Indien zij beviel... Wat zou hij ontvangen!

Zij stond dichter bij Fred: 'n lichte, sierlijke gestalte, opzwellende borsten; de dansende vlammen tooverden speelsche warmte op de zwarte huid.

Monsen weigerde met vriendelijke woorden.

„Nog door geen man aangeraakt," — prees het dorpshoofd aan.