is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII

Dikwijls, tegen den avond, ging hij op jacht. De sierlijke antilope en de rilde gazelle! Hij jakkerde zich af, kroop door struiken, naar de open weiden, waadde modderpoelen door, — maar tevergeefs.

Daarna legde hij zich toe op het schieten van wilde duiven, of ander gevogelte, in de onmiddellijke nabijheid van de dorpen. Dat was minder vermoeiend en bracht meer profijt.

Eén enkelen keer had hij een aap geschoten, 't Dier was slechts gewond en vluchtte een boom in. 't Zette zich neer op een tak, en weende groote, stille, smartelijke tranen. De kreet, toen hij raakte, was de gillende kreet van een mensch in doodsangst.

Bij ieder dorp vroeg hij naar wild, voor hij er op uit trok. Telkens leek 't of ze het wild als voor 't grijpen hadden, maar geen enkelen keer had hij zelfs sporen van een kudde gezien, 't Was niets anders dan verlangen om den „jongen, blanken heer" tevreden te stellen.

Tenslotte zond hij eerst z'n eigen mannen er op uit. Die maakten een wandeling in den omtrek, hurkten ergens neer in de steppen, en kwamen terug: er waren geen kudden, maar vlak bij 't dorp waren wilde duiven. Dat was smakelijk, en ze hoefden zich niet door doornstruiken te werken.

In één dorp weidden de inboorlingen uit over de kudden wild in de nabijheid, met zoo'n oprecht en gulzig verlan-