is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX

In de nabijheid van alle grootere dorpen stonden eenzame hutten.

Daar huisden de verstootenen: ouden van dagen, zieken, die door een kwade ziekte, 'n ziekte, die uit een andere wereld scheen te stammen, bezocht waren, en de melaatschen.

Monsen ondervroeg een alleen-wonende oude vrouw. Zij had, vanwege de kou, in den nacht te dicht bij het vuur gelegen, 't Vel van haar buik was geschroeid, en vertoonde etterende wonden en brandkorsten. Dat was geen zeldzaamheid.

Men toonde geen medelijden.

De blanke ondervroeg.

„Waarom woon je hier in zoo'n afgelegen hut. En waarom woon je alleen?"

„Ik heb geen man!"

„Waar is je man dan gebleven?"

„Ik weet niet!"

„Heb je geen kinderen gehad?"

De vrouw sloot haar handen ineen, vouwde ze weer open, en toonde de gladde, lichter gekleurde handpalmen. De handpalmen van een aap, dacht Monsen.

Zij toonde daarmee: ze had geen kinderen.

Monsen begreep, dat zij zich onwetend hield, en dit als de gemakkelijkste manier aanzag om van het eeuwige vragen van den blanke af te komen.