is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een van zijn dragers was ziek geworden, en werd ontslagen.

Een nieuwe werd opgeëischt.

Met tegenzin namen de overigen den nieuwen man, een harden, norschen wilde, in hun groep op. Zij stonden al dichter bij de blanken, en voelden 'n soort heimelijke ivrees voor hun opstandiger rasgenoot, die met hooge minachting op hen neerkeek. Zij waren bastaards. Ze waarschuwden: „Die man zal weg loopen. Hij is niet te vertrouwen."

Monsen vroeg niet, of de koffer misschien alleen, en op eigen beweging, de verdere reis kon mee maken; hij vroeg hun ook geen raad, hoe een meer betrouwbaren drager te krijgen. Hij antwoordde kortaf:

„Let jullie dan op, dat hij niet weg loopt!"

Hij had den man aan de andere dragers kunnen binden, of zijn hals vast kunnen binden aan de koffer zelf, maar met spiedersoogen loerden de dragers de minste beweging van den nieuwen man af. Zij haatten hem.

Na 'n half uur loopen, stond de kleine karavaan; er klonk geschreeuw, de dragers liépen, en even later werd de nieuwe, vruchteloos tegenstribbelende zwarte voor hem gebracht.

Hij had de koffer laten vallen, en had getracht de steppen in te vluchten.

Monsen keek hem onderzoekend aan, en vroeg streng: „Waarom heb je mijn koffer neergezet; heb ik daar bevel voor gegeven?"