is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het dorp. De hutten waren uitgestorven. Hij aarzelde en liep door. Was hij niet aangesteld als heer over alle inboor lingen in zijn sector? 't Was belachelijk om zich af te laten schrikken door doodsche, verlaten negerhutten. „Neem uw geweer!" — zeiden de dragers om een muur van veiligheid om zich op te trekken, meer dan uit bezorgdheid voor den blanke.

Monsen nam zijn geweer aan. De dragers volgden.

Maar schieten zou hij niet. Hij vreesde, dat een schot 't zelfde zou zijn als een worp met een assegaai, en als een vonk in de aderen der negers zou springen.

Nieuwsgierig naderde hij 't dorp. De hutten leken hondenhokken op palen. Ze waren niet, zooals overal elders, rond en uit leem opgetrokken. Maar vierkante hokken, met wanden van dunne boomstammen en zware takken, horizontaal op elkaar gelegd. Slechts door een nauw, donker gat kon men naar binnen kruipen.

Op een verren afstand stonden de bewoners, in 'n groep bijeengedrongen. Ze staarden naar den blanke. De vrouwen waren te herkennen aan de korven, die ze op hun hoofd droegen, en waarin ze hun hebben en houden gepakt hadden, om dit bij een algemeen sauve qui peut te kunnen redden.

Monsen trad op een der woningen toe; onmiddellijk ging er 'n deining door de groep. Er stak 'n ijzeren pijlpunt in een der palen; hij trok 'm eruit. Het voorste gedeelte was met 'n doffe, gedroogde laag bestreken. De scherpe punt alleen flonkerde in 't licht, koud en metalliek. Een gif pijl.