is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Monsen spreidde een kaart over het bureau.

„Kun je morgen al op reis?" — vroeg hij.

Hij wachtte niet op antwoord, en wees de verschillende

etappen aan: hier een loods, en daar een loods, en daar

een loods!...

Na enkele dagen verrezen door heel het gebied de bouwvallige strooien loodsen uit den grond.

Tientallen negers trokken de wildernissen in.

Zelf bracht Monsen een bezoek aan Visiri.

Hij had de tabellen nagegaan: twee honderd man uit zijn sector waren bestemd om in de mijnen om te komen. Hij moest de boodschap geven aan den vader van den stam, aan het hoofd Visiri.

Visiri ontving hem met donkere, sombere oogen.

„Visiri, veel mannen zullen moeten vertrekken. Gij hebt veel mannen in uw stam, en er is veel werk."

Visiri's voorhoofd trok in rimpels.

„Ik heb vroeger veel van mijn kinderen laten gaan", — zei hij duister, — „ze zijn gestorven of met zieke longen uit de mijnen terug gekomen."

En ironisch: „In den korten tijd van de schorsing zijn mijn kinderen niet ontelbaar geworden als de grashalmen in de steppen."

Monsen keek hem aan. Hij werd spoedig oud, Visiri. Een uitgeleefde, donkere aap.

„Ik weet niet, hoeveel mannen gij af kunt staan, Visiri", — zei hij dreigend, — „maar gij zijt opperhoofd, en ik