is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVII

Willey kwam bij Monsen op het bureau.

„Nog honderd tachtig man, Monsen" — zeurde hij. lederen keer, dat hij een contract aan Monsen ter viseering voorlegde, herinnerde hij aan het overschot.

Monsen keek met ontevreden oogen het contract in. Hij zuchtte.

„We zullen de grensbewoners aan moeten spreken" — zei hij.

Frank krabde bedenkelijk in zijn haren.

„Dat wordt herrie, jongen!" — waarschuwde hij, maar

Monsen trok z'n schouders op.

„De resident heeft gesproken. Vijf honderd man!" — zei hij spottend.

Willey juichte. Daar was volk in overvloed.

„We trekken er onmiddellijk heen!" — riep hij, uit louter plezier in z'n handen wrijvend, — „je gaat toch mee Monsen?"

Monsen negeerde hem, en gaf Frank zijn instructies. Hij moest een dag eerder gaan dan Willey, en vooral bet groepshoofd erkennen in zijn gezag en bij de recruteering betrekken.

„Hij heeft heel wat te vertellen," — waarschuwde Monsen.

Frank keek hem aan.

„Doe je mond dicht," — spotte Willey, „ t tocht hier."