is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zij is ziek. Ik weet niet. Hebt u geen medicijnen?" Ja, — hij had medicijnen. Maar wat kon hij daarmee doen? Quinine tegen koorts en wat solferbloem tegen huidschurft en wat jodium.

Hij aarzelde.

Maar Mukaka smeekte. Hij had een evangelisch geloof in de kunde van den blanke.

„Zij is ziek heer. Kom zien! Zij sterft."

't Was te zien. Het was Mukaka ernst. Monsen gleed uit zijn bed, schoot een badmantel aan, en volgde Mukaka, die met sprongen hem vooruit ging.

Op 'n twintig meter afstand van de tent brandde een rossig houtvuur. Vier spookachtige negers hurkten rondom en staarden zwijgend en gespannen naar het lichaam van een vrouw, dat op een stroomat lag; haar hoofd en rug werden ondersteund door de handen van een der dragers.

Dit groepje in de vaalroode, flakkerende gloed van het vuur streed voor een leven, midden in een doodstille, door de maan kil verlichte nacht.

Monsen boog zich over de vrouw.

„Waar heb je pijn?" — vroeg hij.

De vrouw kon geen woord uitbrengen. Zij legde een zwakke hand op haar borst, en braakte. Zij gilde, en snakte naar adem; haar borsten waren gezwollen; als dikke koorden liepen de aderen over de huid en dreigden door te barsten. Zij hijgde en braakte. Naast haar stond een kom met een vuile, donkere brei; 'n braakmiddel, dat nu en