is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stip in den hemel; 'n wolkje in de grootte van een hand. Monsen vloekte en keek radeloos uit. Nergens was beschutting te vinden. Er was zelfs geen tijd voor. Zoevende wind trok langs de lucht. De wolk groeide, rolde als een gordijn langs den hemel, en verduisterde de zon. Lucht en aarde werden grauw. De eerste druppels lieten los, binnen 'n minuut gutste de vloed omlaag, niet in strepen, maar in staven. Dikke waterstaven, die pijn deden aan de schouders. Als lichtslingers brandde de bliksem om hen heen, in één durend geweld van krakende donderslagen. De lucht brandde en streed.

Na een kwartier luwde de vloed, en viel de regen; een trage regen, als een sluier.

De negers leefden op, als dieren na een bad. Maar de blanke liep naast hen voort, met plakkende natte kleeren, neerslachtig, koud en rillend, 'n Ondergrondsche koorts begon door zijn lichaam te trekken.

Dikke moerasdampen stegen op; vunzige, benauwde dampen; ze waadden door den grond.

Monsen wilde zich niet laten dragen. Hij wilde loopen; niet ziek worden.

Een kegelvormig dak dook ineens op, midden in de steppen, met dichtbij een hut. Rook steeg door het dak omhoog, alsof het klamme stroo smeulde en rookend uitbrandde.

Tusschen de lage paaltjes door, waarop het dak rustte, kroop Monsen naar binnen. De lucht werd dunner; 't miezerde nog slechts.