is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Midden in de open hut was een houtvuur aangelegd, waarbij een oude neger hurkte. Met starende oogen keek hij de blanke verschijning aan. Was die blanke uit den hemel komen vallen?

Als een vaste massa bijna hing de rook onder het dak. Monsen stikte in den walm, die als een rasp zijn keel schuurde. Zijn oogen begonnen pijnlijk te gloeien en schoten vol water. Hij bleef toch om zich te drogen. De neger was langzaam en mompelend achteruit gekropen; door vrees bevangen kroop hij steeds verder achteruit, onder het dak door, naar buiten. Monsen hoorde vluchtende voetstappen. De zwarte vluchtte de steppen in.

't Was voor een blanke niet uit te houden in den rook. Een neger hindert dat niet. Hij leeft in een walm. Monsen hoestte, en schraapte onophoudelijk zijn keel; hij kroop ieder oogenblik onder het dak uit, en kroop weer naar binnen. Hij ging aan den rand van het dak zitten; daar was de walm minder dik.

Hij huiverde; hij voelde een huiverende koorts door zijn ingewanden trekken. Zijn natte, kille kleeren plakten om zijn lichaam.

De regen hield gaandeweg op; hij reisde door.

De kleine karavaan was door het onweer uiteengeslagen. Monsen vond de rest van zijn dragers terug op een mijl afstand van de hut, bij een kleine nederzetting; drie negerhutten midden in de wildernis.