is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIII

Toen Monsen in den post terug keerde, werd hij door Elsie stormachtig ontvangen. Zij wierp zich om zijn hals, zij huilde bijna hysterisch, en kuste zijn mond zonder ophouden, of zij zich reinigen wilde van een smet. Voortdurend fluisterde ze zijn naam, en klampte zich aan hem vast.

Monsen nam haar bij zich op zijn knie, en troostte haar met woorden. Hij sloot haar hoofd tusschen zijn handen, en dwong haar naar hem op te kijken. Zij wisselden slechts één blik, en 'n troosteloos verlammend gevoel kroop in hem op. Er was iets gewonds in haar oogen, 'n onmerkbare, beangste afschuw. Onwillekeurig heten zijn handen los; zij drukte haar hoofd tegen hem aan, zijn naam fluisterend.

Er brak iets open in zijn hart; één jammerende gedachte. „Ik heb niet goed gedaan, Elsie. Ik had alles alleen moeten dragen. Allen gaan we onder."

Hij boog zijn mond over haar hoofd en kuste streelend haar tot stroo verbrande haren.

Het ging om de aap. Elsie's kleine, dwaze aap, die haar op een rondreis door de steppen, door een neger was cadeau gedaan. Hij was haar lieveling, een baby, een speelpop, — en was nu verstooten.

Wanneer zij hem zag, flikkerden haar oogen kwaadaardig; de aap grijnsde, tot zij ineens uitviel, en probeerde hem met een trap de deur uit te jagen.