is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het stuk was in voorzichtige woorden gesteld. Alles was afgewogen, en de toestand wetenschappelijk en politiek gepeild. Maar één ding stond streng en onontkoombaar. „Zeven honderd werklui!"

Met het papier ging hij naar Willey toe. Hij grijnsde. Dat

was een troost. Hij kon Willey pesten met dit fantastisch

getal, dat hij nooit bijeen kon krijgen.

„Goed nieuws, Willey!" — riep hij, — „je kunt met de

veemarkt beginnen."

Willey kneep z'n oogen toe en wachtte.

Monsen wierp het document over zijn tafel, en brak in

'n schaterend lachen uit.

„Zevenhonderd man, Willey! ... Beste kerel, — zevenhonderd man."

Maar Willey brak niet uit in knetterende vloeken. Hij nam 't papier tusschen duim en vinger op, en glimlachte raadselachtig.

„Dat is veel!" — zei hij sleepend. —

„Dat is heel veel, Monsen. Zooveel zal ik er waarschijnlijk

niet kunnen recruteeren."

Het was een raadsel, dat Willey niet losbarstte. Hij zag dus een middel om dat krankzinnige contingent bijeen te sleepen en af te sturen. Maar hoe?

Hij keek Willey scherp en onderzoekend aan. Willey glimlachte welwillend.

,,'n Kleintje whisky?" — bood hij aan.

Monsen verontschuldigde zich. Hij had geen tijd; in gedachten alle mogelijkheden in z'n hersens oproepend, slen-