is toegevoegd aan je favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVI

Frank was terug van zijn verlof. Binnenkort zou Monsen vertrekken, waarna Frank de teugels van het bewind in handen zou krijgen. Nog meer dan vroeger legde Willey met hem aan.

Over zijn verlof sprak hij weinig.

Hij was gemelijk teruggekomen:

„Nog altijd dezelfde rommel. Overal rotzooi! ... Ik heb 't er verdomd koud gehad."

'n Enkele keer was hij uitgevallen.

„Ze stikken daar van 't vragen. Alles vinden ze vreemd en interessant."

Een oude tante had hem gevraagd, of de negers wel trouwden. Hoe kon een mensch trouwen in een wildernis? Zonder 'n spelend orgel met 'n bruidsmarsch van Lohengrin. De rest was maar smerigheid. Uit een stroom van ontucht vloeiden de kleine zwarten over den bodem van Afrika.

Anderen hadden nieuwe vragen. Dat was wel de meest interessante vraag, waar ze hun behoefte moesten doen, wanneer ze in hun draagstoel door de steppen reisden. En griezelig was: de negers met hun witbekalkte gezichten, waren 't niet allen verdoken krankzinnigen en opstandige moordenaars, die in 'n eeuwige losbandige vrijheid door de bosschen zwierven, en waar ze konden hun giftige pijlen op de blanken afschoten?

Uit een soort verademing wierp Frank zich met steeds