is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knieën, en begon, met z'n hoofd op z'n armen, te grienen. Ineens kwam hij overeind, en sloeg met zijn vuist op tafel.

„Mijn vader," — schreeuwde hij; zijn stem was bijna verstikt door dronkemanstranen. —

„Mijn vader, was vader. Dat was een vader. Want mijn vader was vader!"

Hij zweeg even, en zei dan, bijna eenvoudig:

„Mijn vader is dood."

Willey sloeg dubbel van 't lachen.

„G.v.d.!" — riep hij, — „dat je vader vader was, dat weten we bliksems goed; daar ben jij 'n bewijs van." Met zijn vuisten gebald kwam Frank op Willey toe. Hij raasde.

„Wat, — jullie gelooven 't niet, dat mijn vader vader was? ... Mijn vader was vrijmetselaar; hij speelde kaart met den pastoor. Hij kende minister X.; hij was zijn vriend. Ze hebben met z'n tweeën op één schoolbank gezeten. Wanneer mijn vader nog leefde, hoefde ik hier niet te blijven. Dan was ik hier nooit gekomen! Dan had ik die vervloekte boel hier nooit gezien. Dan was ik geen zuiper. Wat ben ik nu? ... 'n Zuiper. Ik ben een dronkaard."

Willey wilde Frank kalmeeren.

„Drink wat, kerel," — zei hij, — „neem dat poesje op je schoot!" (Hij knipoogde naar Frank's negerin).

Frank liet zich weer vallen in z'n stoel.

„'t Is goed!" — zei hij gelaten.