is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naburige goed te gaan kijken en zich met eigen oogen te overtuigen hoe het er daar uitzag. Er was in den blik en in de houding van den boer iets dat hem van de zaak zelf afleidde. „Kennen wij mekaar eigenlijk al niet van vroeger?" kon hij plotseling niet nalaten te vragen. - „Nu u er zelf naar vraagt: wij hebben samen al eens op een hooiwagen gezeten," zei de boer.

Georg zag een beeld uit zijn jeugd verrijzen, toen hij als tienjarige jongen hier bij tante Ottilie (tante Otti heette ze in die dagen voor hem) en oom Adalbert te logeeren was geweest. „Maar waarom vertel je er dan niet meteen bij, dat wij samen nog eens gevochten hebben?" vroeg hij welgeluimd en bijna ontroerd door de lichtheid zijner onverwachte herinnering.

„Omdat ik er van u toen geducht van langs heb gekregen!" meesmuilde de boer. Georg, in gedachten verloren, zag den jongen van toen weer voor oogen, die nu als een vijftigjarig man aan zijn zijde ging. Intusschen had zich het onbegrijpelijke voltrokken, dat men oud werd en eenzaam...

„Maar hoe zit dat eigenlijk? Was jij dan een zoon van den boer, die hier destijds den boel beheerde?"

Eisengruber kon den gedachtensprong gemakkelijk volgen. „Mijn vader was hier nog maar als knecht in dienst," zei hij hoogmoedig. „De boer had vier eigen zonen... maar die vonden het thuis niet goed genoeg meer! Die zijn naar Amerika vertrokken, om gauw rijk te worden! Of het een van de vier gelukt is, kan ik u niet vertellen; ik weet alleen maar, dat de jongste later op een slof en een schoen naar huis is gekomen - die werkt hier nou als knecht. Als mijn jongen me ooit zooiets aandeed..."

„Heb je er maar één?" vroeg Georg.

De boer knikte langzaam, duister, ,,'k Heb er nog een gehad. Maar die is me onder de kar geraakt... ze was tot boven toe met bieten geladen, 'k Heb ook nog twee meisjes. Van veertien en van twaalf. Toni, m'n jongen, is nou net vijf geworden. Z'n broer Clemenz zou met Paschen al veertien zijn geweest..."

Hij bracht daarop, met rauwen overgang, nog een wensch naar voren: een steenen vloer in de stallen, met een beteren afloop. Hij was op het denkbeeld gekomen, omdat de metselaars nu toch op het kasteel aan het werk waren. Georg beloofde den aannemer om een prijsopgave te zullen vragen; het gelaat van den boer klaarde op.

Bij de paarden troffen ze een blonden bengel met donkere, vrijmoedige oogen aan; de boer greep hem met vaderlijke teederheid in het haar en trok hem naar zich toe. „Hier hebt u 'm... dit