is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is m'n jongste; die wacht hier op mij om met 'n stuk hout te krijgen - ik heb hem namelijk verboden om bij de paarden te komen. Vooruit, bliksemsche aap, maak dat je hier weg komt!" De jongen was den stal reeds uit.

Magdalena Eisengruber, de boerin, wachtte hen binnen met een glas wijn; zij was een nog jonge, goedlachsche vrouw, op wier gelaat het verlies van haar oudsten zoon echter onmiskenbare sporen nagelaten had; midden in het gesprek wendde zij zich met plotselinge vage ongerustheid tot haar man: of hij Toni soms ergens gezien had.

„Die zal zich wel melden tegen dat het eten op tafel staat!" meende de boer gul en knipoogde daarbij tegen zijn nieuwen heer, die zich afvroeg of Eisengruber nu eigenlijk zijn vrouw of zijn jongen wilde sparen door haar te verzwijgen, dat hij dezen op verboden terrein had aangetroften.

Buiten naderden de knechts reeds voor het middageten. In deze vroege maand viel er op het land nog weinig te doen; daarom werkten de mannen maar zoolang in het bosch; achter de boerderij was een primitieve zagerij ingericht. Zij hadden reeds gezien wie er vanmorgen bij Eisengruber op bezoek was; een maakte zich de gelegenheid ten nutte door den boer zijn bijl te toonen met het verzoek, een nieuwen te mogen koopen. Georg begreep wat hier stilzwijgend van hem verwacht werd. Hij vroeg naar den prijs van een nieuwen bijl en gaf den man het geld ervoor. De boer voelde in dit kleine geschenk een belofte. De knecht keerde als de held van den dag bij zijn makkers terug.

Georg liet hen allen bij zich komen, vroeg naar hun namen en hoe lang zij hier reeds werkten. De meesten bleken al van vader op zoon te zijn aangesteld; hun voorvaderen hadden wellicht nog als lijfeigenen in hutten rondom het kasteel gewoond.

Een patriarchaal gevoel, zooals hij voor zijn manschappen had gekoesterd, ontwaakte in Georg - dit was het groote gezin waarvoor hij de verantwoording droeg. Rijker dan hij gekomen was, verliet hij de boerderij waar allen zich nu hongerig aan tafel zetten.

„Ik geloof niet, dat je bij dezen veel moet probeeren uit te halen," zei een der meiden. En de boer, die zich om prestige-redenen niet in het tafelgesprek placht te mengen, zijn mond slechts open deed om een berisping of het dankgebed uit te spreken, kon het dezen keer niet voor zich houden: „Ik heb als jongen eens met hem gevochten - en 't heugt me nog!"

Zoo groot was reeds het gezag van den nieuwen heer, dat allen in dit vroegere pak slaag dadelijk het voorrecht voelden.