is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Hannerl er vrouw Krone heimelijk om moest aanstooten. Maar deze was niet tot lachen te bewegen: alle frivoliteit hier in huis scheen haar een vergrijp jegens den majoor, die bij zijn personeel op een toon van gepasten ernst aanspraak mocht maken, ook al was hij zelf toevallig niet aanwezig. Haar man had het drinken geheel opgegeven; om acht uur 's morgens, wanneer de baron kwam inspecteeren, was al het werk in den stal reeds verricht, en de beide uit Weenen aangekomen rijpaarden verzorgde hij alsof het zijn kinderen waren... er was over dit alles een stil geluk in Anna Krone, maar hartelijk en onbezorgd lachen, zooals in vroeger dagen, kon zij daarom toch nog niet.

Stilte was weer over het kasteel gedaald; ze paste bij den ernst der meubelen en bij den man, die hier nu woonde. Eenzaam zat de majoor na zijn dagelijkschen ochtendrit in de bibliotheek, waar hij een werk over veeartsenijkunde met taaie volharding doorworstelde, zich als afwisseling slechts een brochure over aardappelziekten gunnend. Een enkele maal had hij wat correspondentie te behandelen - de plaatselijke autoriteiten verveelden hem met vragen over zijn vermogen, welks omvang hun blijkbaar tegenviel, en er was nog een proces hangende over een onbeduidend lapje grond. Hij haalde er een streep door en geraakte met de advocaten tot een accoord over de kosten der abrupt afgebroken procedure. Boven zijn schrijfbureau (een reeds ietwat wankele antiquiteit met vele schuifladen en geheime vakjes waarin de secure oom Adalbert van alles en nog wat bewaard en gesorteerd had, tot roestige, onbruikbare pennetjes en afgeweekte, bij vergissing onbestempelde postzegels toe) hing als een voortdurende vermaning tot resoluut handelen zijn cavalerie-sabel. Daaronder een ingelijste foto van hemzelf in uniform, temidden zijner laatste manschappen, een eskadron te paard. Deze wanddecoratie had hij zelf verzorgd, zooals hij ook eigenhandig het geschilderde portret van zijn vrouw had opgehangen, dat het muzieksalon sierde. Overigens was „muzieksalon" een wat euphemistische betiteling voor het vertrek waarin zich geen muziekinstrument meer bevond. De ouderwetsche en misschien wel waardevolle klavecimbaal, die er gestaan had, was door Thérèse en Egon opgevraagd als een souvenir aan oom Adalbert.

Eenzaam zat Georg tijdens de maaltijden aan de lange, donker eiken eettafel, waarvan slechts de helft gedekt was. Josef, die, door een natuurlijk knechten-instinct geleid, met geen enkel voorbeeld voor oogen, reeds den stijl vond voor de nieuwe waardigheid