is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heen.... ?!" - „Als ik dat zelf maar wist." - „Hoor ik nog van je?I" smeekte Anna Krone, maar Hannerl was de keuken reeds weer uit.

Terwijl ze met groote vluchtende passen het pleintje overstak, wist Hannerl, dat hij, die haar minnaar was geweest, van achter het venster naar haar keek. En hoewel zij niet wilde omzien, keek ze toch om, nog eenmaal, vóór zij de poort doorging, die naar de boerderij leidde. En in dezen radeloozen blik naar de blinde spiegeling van het venster, waarachter Georg von Weygand haar met ingehouden adem nakeek, lag het werkelijke afscheid tusschen hen beiden.

Op het erf der boerderij zag zij Ferdinand loopen; ze ging op hem toe en zei: „Ik ben weggestuurd." Een seconde lang kreeg hij zijn mond niet open, maar toen stond zijn besluit ook meteen vast. „Goed.... dan gaan we samen." Zoo had zij het verwacht: ze wist immers met welk een duistere bezetenheid hij haar maanden lang vervolgd had. Nu had hij het pleit dan toch gewonnen, en terwijl ze dit erkende, begreep zij ook, dat zij weerloos aan hem was uitgeleverd; dit was de prijs, dien zij betalen moest voor haar nederlaag. Hij voelde het zooals zij en beschikte dadelijk over haar. „Morgen ga je mee naar Klagenfurt; daar weet ik wat voor je. Ik kan er werk vinden in een kolenhandel als ik wil, maar dat zal ik nog wel zien. Vraag den boer of hij ons met de kar naar de stad laat brengen - jou zal hij het niet weigeren."

Hannerl knikte, tot elk gehoorzamen bereid. Hier was een man, die haar begeerde en er reeds niet voor teruggeschrikt was, vernederingen terwille van haar te ondergaan. Hij verried het haar nog dienzelfden nacht, nadat zij gedwee naar hem was toegeslopen om zich aan zijn zegedronken, wreeden lust uit te leveren: „Ik had het allang zat om voor hem daar in z'n kasteel nog langer knecht te spelen. Maar zoolang jij daar binnen was, moest ik me wel laten trappen. Ik wist, dat jij eenmaal voor mij zou afvallen.... 1" Hij lachte heesch, en zij kuste hem, dankbaar voor zijn vasthoudendheid.

Zij stelde hem ook de enveloppe ter hand, die ze van haar vroegeren meester gekregen had. Zij zelf had er nog niet in gekeken. ... Maar Ferdinand scheurde het couvert met grimmige gulzigheid open en richtte zich in zijn stroobed overeind om, grof vloekend, de bankbiljetten te tellen, die er uit vielen.

„Hij schijnt tevreden over je te zijn geweest, jouw baas!" schimpte hij met een grimmig cynisme, dat als wilde smart in hemzelf woedde. En hij greep haar vast.... pas toen zij zacht