is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet: Otto was er een van zijn slag, met wien hij zich dadelijk, zonder een woord nog, kameraad had gevoeld.

In Graz had hij later ook Elisabeth leeren kennen. Hij was toen al dertig en zij een jongmeisje van nog geen twintig. Het was van zijn kant een liefde op het eerste gezicht geweest. Maar hij had niet tot het soort mannen behoord, die dadelijk den weg tot een vrouw weten te vinden. Met Otto's hulp was hij er eindelijk in geslaagd, zich aan haar te laten voorstellen. En toen had hij door zijn onhandigheid nog bijna al zijn kansen bedorven.

O, achteraf was het toch mooi geweest. Hij had haar onrecht gedaan door dien eersten tijd hunner kennismaking daar in Graz te vergeten, toen nog niet de dag was aangebroken, dat zij over niets anders meer kon denken en spreken dan: naar Weenen te gaan, naar Weenen, naar Weenen

Op dezen terugrit was Hannerl voor het eerst uit zijn gedachten. Maar toen hij zijn bibliotheek binnenstapte en Josef riep om de kaarsen aan te steken, overviel hem weer kil het besef, dat hij vanavond gerust kon doorlezen, tot middernacht of langer, om dan eenzaam het groote bed in de achterkamer op te zoeken, waarin zij niet meer op hem wachtte.

Nog dezen zelfden avond schreef hij aan zijn ouden vriend Otto. Hij had gedacht, dat het een lange brief zou worden, maar hoewel zijn gemoed vol schoot toen hij de pen ter hand nam, kreeg hij toch niet meer dan één zijd je vol, en dit eene zijdje behelsde weinig meer dan een nuchter bericht over zijn weduwnaarschap, den dood van zijn oom, zijn afscheid van het leger. „Daar er hier toch iemand op den boel moest passen, ben ik toen maar boer, jager, kluizenaar geworden - maar dat alles zal je misschien niet erg interesseeren. Wat mij betreft, ik zou je graag nog eens terugzien. Mocht jij het net zoo voelen, schrijf me dan wanneer ik je kan komen opzoeken."

Dezen brief bracht hij den volgenden dag persoonlijk naar Seekirchen. En in een van dag tot dag toenemende spanning wachtte hij op antwoord. Hij rekende zich voor, dat het er reeds had kunnen zijn, en schaamde zich dan weer over zijn ongeduld. Jaren lang was Otto geheel uit zijn gedachten geweest, en nu ineens kon hij geen uur meer op diens bericht wachten!

Zou zijn vriend intusschen soms bij een ander regiment zijn overgeplaatst? Het was toch verkeerd geweest, hier buiten zelfs geen krant te houden.

Toen hij reeds niet meer durfde hopen, kwam er antwoord.