is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen de wervelende sneeuw, verbroederde hij zich thans met zijn dorpsgenooten, die aan de overzijde in de herberg „Zum goldenen Rehbock" een warm onderkomen hadden gevonden.

Men doodde er bij bier en wijn, bij G'selchtes mit Kraut en warme Würstl den tijd; om tien uur dacht men reeds nauwelijks meer aan den trein. Buiten sneeuwde het onafgebroken voort, maar binnen sloegen de warmte en de tabaksrook tegen de ruiten! De herbergier maakte een goeden avond; terwijl zijn vrouw hem achter de toonbank assisteerde, bedienden zijn beide dochters de klanten. Het waren fiksche meiden, die met hun rokken zwaaiden terwijl ze tusschen de tafeltjes door snelden, en zij voelden zich niet dadelijk beleedigd wanneer men zijn hand vertrouwelijk om haar heupen legde; overigens kenden ze al deze mannen immers bij naam en toenaam. Slechts wie de ongewoon loszinnige stemming van dezen avond wat al te driest wilde uitbuiten, kreeg als bestraffing een klinkenden slag om de ooren en werd bovendien nog bulderend gehoond door de andere gasten, die afgunstig hadden toegezien. Om elf uur besloot men ter eere van AnneMarie, die de volgende maand onder de geboden zou komen, het moeizaam ingestudeerde bruidslied ten gehoore te brengen.' De klanken schetterden en borrelden daar onder de lage zoldering verward dooreen, maar het publiek nam genoegen met de prestatie, en zoo werd dan besloten tot een ander succes-nummer van het répertoire: An der schonen blauen Donau. Allen zongen toen al mee en wiegden het bovenlijf op de vertrouwde melodie, de armen ineengehaakt. Krone, die zijn paarden zoolang in den herbergstal had ondergebracht, zat doezelig en met rood hoofd achter een glas wijn; de muziek ruischte in zijn ooren, en de wereld vertoonde zich aan hem in een onwaarschijnlijk mooi licht; Anna werd weer jong en begeerlijk zooals in den tijd dat hij haar voor het eerst gekust had. Ook de burgervader van Seekirchen kwam onder den indruk van de muziek; Lisl, de jongste dochter van den herbergier, was naast hem komen zitten, en hij hield haar ronde, poezelige hand vaderlijk omsloten in zijn behaarden, trouwhartigen boerenknuist; tusschen twee vingers was er ook nog juist plaats voor een sigaar. Met de andere, in glacé gestoken hand hief hij zijn bierglas op, Lisl met een knipoog uitnoodigend om met hem te klinken. Hetgeen zij deed, na een verborgen geeuw, die haar de tranen uit de oogen perste.

„Ik weet nog hoe je als kind naar school ging - met twee lange vlechten op je rug," fluisterde Matthias Eckbauer.

Langzaam, verwonderd wendde zij het gelaat naar den man