is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongelukkige bas-hoornist kreeg een stortvloed van verwenschingen over zijn zondig hoofd; terwijl hij ter zelfverdediging zijn hoorn voor zich uithield, rolde eindelijk de biljartbal er uit, die de een of andere grappenmaker er in had laten glijden. De kapelmeester kreeg een soort zenuwcrisis en zwoer, dat hij na deze blamage zijn dirigeerstok voorgoed zou neerleggen; bezorgd vatte men hem onder den arm en bracht hem de herberg binnen om hem daar althans nog één glas te laten drinken alvorens hij zoo onherroepelijk zijn besluit nam - allen wilden zich inwendig eerst nog weer verwarmen voor men naar huis zou gaan.

Binnen bleek, dat ieder in deze paar minuten zijn hart aan de door den baron meegevoerde dame verloren had; dit verklaarde misschien ook het geëxalteerde optreden van den kapelmeester, die toch al meer stormen over zijn orchest had zien gaan. En de burgemeester toonde zich ineens minder gevoelig voor de charmes van Lisl Ochsenbein - ontstemd keek zij hem aan: zij had tijdens zijn korte afwezigheid juist met zichzelf uitgemaakt, dat zij toch wel wat voor hem voelde; hij had haar plotseling geïntimideerd door de voorname wijze waarop hij zijn tweeden glacéhandschoen had aangetrokken alvorens hij voor zijn orchest defileerde. O, maar natuurlijk was hem intusschen te binnen geschoten, dat hij hier als getrouwd man en burgervader tusschen zijn wethouders en dorpelingen zat.

Onder het gesmoorde gerinkel der bellen en het doffe stampen der paardenhoeven in den weeken bodem gleed de slee door den nacht. Maria had het hoofd tegen den schouder van haar man gelegd, die met de hand haar gelaat tegen de aanwaaiende sneeuw beschermde en daarbij Krone oplettend in het oog hield: den eersten keer, dat hij hem op een onverantwoorde manoeuvre zou betrappen, dacht hij hem in zijn kraag te pakken en de slee uit te zetten, om dan zelf de teugels in handen te nemen. Maar het was alsof Krone het gevaar voelde, dat hem dreigde: hij stuurde feilloos. En in Georg werden allengs mildere gevoelens ten opzichte van zijn koetsier wakker, die zijn slede en het tuig met zooveel liefde had versierd.

Zich tot zijn bruid overbuigend, vroeg hij of zij het niet koud had; of zij niet reeds zeer moe was, en of zij de muziek heel erg valsch had gevonden; zij moest toch bedenken, dat het allemaal goed bedoeld was geweest. Zij moest er zich nu ook op voorbereiden, dat er op het kasteel niemand meer op zou zijn om haar te verwelkomen; zij mocht dat niet verlangen omdat er daar-