is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn indien haar vader niet ook nog onverwachts gestorven was: toen moest zij haar moeder wel verzorgen, die geen pas meer alleen kon doen.

En toen jaren later alles eindelijk in haar scheen te zullen gaan verstillen, was daar ineens Georg von Weygand voor haar verschenen, een weduwnaar, groot, goedhartig en eenzaam, een ernstig, ietwat ouderwetsch man, die niet verdiende voor het hoofd gestooten te worden. Den slag negeerend, dien het noodlot hemzelf toegebracht had, had hij met haar gesproken alsof voor hen beiden het leven nog maar pas beginnen zou - en hoewel ze het aanvankelijk nog niet gelooven kon, had ze toch ontroerd naar hem geluisterd. En mama was de eerste geweest, die gezegd had, dat zij dit niet mocht afslaan en dat zijzelf dan wel bij Ilonka in zou trekken, wier man juist naar Graz was overgeplaatst. Die arme lieve mama had het zeker al gevoeld, dat zij Georg's aanzoek onmogelijk kón afslaan; dat zij hem wel moest volgen, of zij wilde of niet - het was het leven zelf geweest, dat haar nog weer riep.

Ja, zoo was dit leven dan werkelijk opnieuw voor haar begonnen. Zij zou voor haar man graag willen, dat zij wat flinker was - geen wonder, dat hij haar soms als zijn kind beschouwde! Maar voor zijn kind was zij toch al iets te oud; zij wilde niet alleen door hem behoed en beschermd zijn; zij wilde, dat zij hem althans in één groot verlangen, waarvan zij zeker was, dat hij het koesterde, niet behoefde teleur te stellen. Hij verwachtte het stellig in het geheel niet van haar, maar des te grooter zou zijn verrassing zijn als zij hem op een dag zou kunnen vertellen, dat...! Wat voor een gezicht zou hij zetten? Zou hij dan te bewegen zijn om in haar zijn vrouw te zien? O, ook voor haar zou dit het groote, niet-meer-gedroomde wonder zijn... zij had eerst geaarzeld voor zij het met zichzelf eens was geworden, dat zij het nog aandurfde. Maar nu was zij vast besloten.

Zij bloosde bij deze biecht; in haar oogen brandde een opwinding, die bijna te groot voor haar scheen. Zij bekende nu maar meteen, dat zij daarom ook liever niet paard reed voorloopig. Gelukkig was zij zonder het te willen op een keer flauw gevallen.

Kapelaan Aigner, die haar lang en peinzend had aangekeken, ontwaakte uit zijn mijmering. „God is op uw hand," zei hij zacht.

God is op mijn hand, dacht Maria later, toen zij alleen was. Wanneer zij er zeker op meende te kunnen vertrouwen, dat het personeel beneden in de keuken zat, ging zij naar de kapel, waar