is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vensters zijn dorpsgenooten bijeen zaten en zich aan onbekommerde luidruchtige vreugde overgaven. De op stal staande koeien loeiden onrustig in den winternacht.

Op het kasteel was Georg nu nog slechts met zijn adellijke gasten achtergebleven. Men begaf zich naar de bibliotheek, dronk daar koffie en likeur, rookte zware Havanna's, sprak over landbouwprijzen, muizenplagen, te natte en te droge zomers. Over de zorgen welke de keizer met zijn mooie en extravagante vrouw had, die sedert de tragedie met den kroonprins het hof systematisch ontvluchtte. Het scheen, dat zij zich dezen zomer aan den mast van een half zeewaardigen Doverschen vischkotter had laten vastbinden om van nabij een storm op zee te beleven. Als men meende, dat ze in Griekenland nog, gedichten reciteerend, tusschen de resten van het Parthenon dwaalde, kwam er bericht, dat zij in Schotland bij een vossenjacht van haar paard gestort was.

Toen het woord „jacht" viel, deed Freiherr von Hagel voor het eerst weer zijn mond open en somde zijn neergelegde herten, hazen, fazanten op. Otto von Sterneck liet met verwonderde aandacht de langademige getallen op zich inwerken en zei toen, dat hij het alles bijeengenomen niet zooveel vond.

De ander staarde hem aan. „Niet zooveel... ?!"

„Neen," zei Otto von Sterneck. „Als je me de waarheid vraagt, neen."

Nu vlamde er drift in Freiherr von Hagel op; zijn hoofd, reeds rood van het drinken, werd nog donkerder. „Heb jij dan méér geschoten?!"

„Daar zou ik m'n jachtboek op na moeten kijken," zei Otto achteloos. „Ik zeg alleen maar: het lijkt me niet zooveel toe..."

Niet wetend van welke zijde hij dezen verraderlijken vijand moest aanvallen, die zijn tot dusverre met zooveel trots gedragen banier omlaag sleurde zonder zelf kleur te willen bekennen, verstomde Freiherr von Hagel. Hij dronk van nu aan glas na glas leeg en verzonk in een somber broeiend zwijgen; in zijn oogen glommen de argwaan en gramschap na; dit verborgen vuur, dat in hem voortwoedde zonder uit te kunnen slaan, maakte hem van binnen zoo dorstig. Later, toen zijn vrienden hem vroegen of hij soms geheime zorgen had, omdat hij zoo in het geheel niet vroolijk meer kon zijn, sneed hij om zijn goeden wil te toonen het eenige thema aan, dat hij verder nog beheerschte: koe-drek, mijne heeren; koe-drek, daar gaat niets boven, geen guano en geen kali, geen enkel phosphaat ter wereld. Koe-drek. Koe-drek...

„Nu moet hii naar huis." zuchtten ziin vrienden. ..Kom. laten