is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we allemaal maar gaan." En zij namen hem onder den arm. Daar zij zelf niet geheel nuchter meer waren, duurde het eenigen tijd alvorens zij hem langs de trap naar buiten hadden gekregen, waar hun paarden stonden. Toen hij eenmaal in den zadel zat, tastten zijn handen instinctmatig naar de teugels.

„Klaar?" vroeg von Finkenstein. En zoo reed de Club van gezworen Célibatairs, met nog eenig geschreeuw en armgezwaai naar den gastheer daar op de galerij, de poort uit.

Krone kwam omstreeks ditzelfde uur de boerderij uitgezwaaid. Tegen Eisengruber, die hem begeleidde uit bezorgdheid, dat hij anders nog in de slotgracht terecht zou kunnen komen en in de diepe sneeuw verongelukken, bekende hij zelf wel te weten, dat hij een of twee glaasjes te veel op had. Anna zou daar natuurlijk weer wat op aan te merken hebben, maar hij, Krone, zei maar zoo... (en hierbij trachtte hij zich recht tegenover Eisengruber te plaatsen en legde hem de handen zwaar op de schouders): „Eenmaal in het jaar dronken, dat mag! Daar heeft 'n mensch r-r. ..récht op! Toen de baron getrouwd is, ben ik dronken geweest. En nou hij een zoon heeft, nou ben ik weer dronken. En als Franzl van 't herfst met die uit Graz gaat trouwen, dan zal ik nog wéér eens dronken zijn! Da's billijk. Da's niet meer dan b-b..."

„Kom nou maar," zei Eisengruber en bracht hem veilig naar de keuken, waar Anna zich met weerzin afwendde, hoewel Krone haar beleefd en verstandig op de hoogte trachtte te brengen...

Reeds bij gelegenheid van zijn huwelijk had Georg van zijn broer Egon en van zijn verdere Weensche familie ietwat bevangen gelukwenschen gekregen. Uit de felicitaties, die hij thans ontving, sprak een nog grooter verbijstering. Uit zuurzoete, quasi-grappige zinswendingen kon hij duidelijk geprikkeldheid en onrust voelen: Wat gaat dat met Georg nog worden?!

Een onomwonden hartelijke brief van zijn oud-oom Johann bevestigde zijn vermoedens slechts. Deze oom Johann had enkele jaren geleden een oproer ontketend door, na lange jaren weduwnaarschap, zijn jonge huishoudster te huwen. Egon, bevend voor zijn carrière, zag zich als politieke figuur reeds aan de belachelijkheid^ prijsgegeven. Temeer, daar oom Johann, inplaats van zich na zijn afschuwelijke mésalliance althans bescheiden ergens in de provincie terug te trekken, rustig voortging zijn kleine rente in Weenen te verteren en nog wel liefst in het door den adel gefrequenteerde café „Fenstergucker" op den hoek van de Wal-