is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot Maria-Rain; ze was al zoo blij geweest, want het urenlange loopen in de warmte viel niets meer mee. Maar haar geluk was haar niet gegund geworden, want nog vóór Maria-Rain, op de brug over de Drau, had ze gevoeld, dat haar uur gekomen was. Ze vroeg den boer te stoppen - wat kon ze doen? Hij liet haar uitstappen en legde meteen de zweep over de paarden, want natuurlijk was hij er wat verlegen mee geweest: ze kenden hem daar in die buurt allemaal al! En zoo had ze haar kind dan ter wereld gebracht op een weiland bij het water, heelemaal alleen; ze kreeg nu nog het zweet op haar lijf, als ze er aan terugdacht. Eindelijk was er een vrouw komen kijken, die daar in de buurt woonde, en die had ervoor gezorgd, dat ze tenminste een dak boven haar hoofd kreeg en dat haar kind gedoopt werd. Ze had daar, als ze wou, zelfs mogen blijven tot ze weer heelemaal goed op de been zou zijn geweest. Maar hoe kon ze daar nu op wachten: ze moest door naar de stad waar ze geld voor haar man en haar jongens zou kunnen verdienen. En daar was ze dan werkelijk in een wagen aangekomen, en die jonge dokter, dat was zoo'n brave man geweest; ze hadden haar wijsgemaakt, dat ze zich heelemaal voor hem zou moeten uitkleeden, maar hij zei dadelijk: „Ik zie zoo wel, dat je gezond bent; misschien weet ik wel wat voor je." En daar zat ze dan nu op een kasteel en verdiende in een week meer dan haar man in een heele maand, toen hij nog twee gezonde beenen had.

Vrouw Weizl sprongen de tranen in de oogen; de anderen keken haar meewarig aan en schaamden zich, omdat zij ondanks alles gelachen hadden.

O ja, gezond was zij, en haar eigen jongetje: een kleine Hercules met rood haar en donkere kijkers, kwam niets te kort, al moest zijn moeder er dan nog twee bij voeden. En toen Bismarck naar haar zin eens wat te dichtbij kwam snuffelen terwijl zij den tweeling te drinken gaf, onttrok zij in het bewustzijn van haar onbeperkten overvloed een tepel aan een der driftig zuigende mondjes en richtte als een oneindig onschuldig afweerwapen haar borst op den vervaarlijken zwarten snoet... De hond sprong verschrikt achteruit, likte zich met weerzien om den muil; de kleine Rudi staarde verstomd naar het fenomeen, dat zich daar onder zijn oogen voltrokken had. Vrouw Weizl lachte smakelijk. Maar de bedrogen zuigeling, die met de handjes vergeefs naar de hem zoo plotseling ontnomen levensbron tastte, zette het reeds op een klagend huilen.