is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minachting voor Trudi gaven haar snel haar gewone zekerheid terug en zelfs een zeker overwicht. „Nu... en? Wat doet dat er toe of zij bij meneer von Brandt is? Waarom loop jij hier te spionneeren? Wat denk je eigenlijk te kunnen ontdekken? Zij moest haar lessen vanmiddag nog laten nakijken... ik ga er nu ook heen. Ze liet Trudi staan, die nog een paar passen achter haar aanliep om, vernederd en wraakzuchtig, haar toe te fluisteren: „Maar eiken middag loopt ze naar boven! Altijd als u weg bent, freule! Daar wacht ze alleen maar op...!"

Bleek van drift en afschuw wendde Liesbeth zich om. „Hou ie mond!" '

Trudi maakte woedend rechtsomkeert, bij zichzelf mompelend, dat ze 't nog wel om Angélique's bestwil had verteld... Liesbeth ging intusschen, duizelig, de trap op. Trudi's laatste woorden hadden al het bloed uit haar hoofd doen wegstroomen; het was eensklaps alsof ze in een afgrond keek. Kon zooiets vreeselijks dan waar zijn?! Kon zij zich zoo vergist hebben in meneer von Brandt?! Konden papa en mama, zij allen, ook Rudi, zich zoo... ?! Er golfde een walging door haar heen; zij moest zich aan de trapleuning vasthouden. Maar zij mocht hier niet blijven staan, reeds omdat Trudi beneden misschien zou luisteren. Zij wilde nu ook niet eerst nadenken; zij kon heelemaal niet nadenken; zij moest handelen, blindelings en zonder schroom. Elke seconde van onzekerheid was haar zelf een onzegbare foltering. God, had zij Rudi hier nu maar. Alleen durfde zij het echter ook aan, als het om haar zusje ging. En dus hief zij het hoofd op en ging recht op de kamer van meneer von Brandt af.

De deur bonsde tegen Angélique aan, die er vlak achter stond, zich wezenloos omwendde en zooiets stamelde als: „Ja, ik kom al." Ze scheen geheel verslagen. In den stoel bij zijn werktafel zat meneer von Brandt en keek met cynische verwondering op. „Wat doe jij hier, Liesbeth?" Ze hoorde de ingehouden drift in zijn koele stem en besefte reeds, dat zij iets doms had gedaan. „Kwam je hier iets zoeken?" Zij knikte; haar lippen beefden. „Ja, meneer... ik kwam voor Angélique."

„Die was, geloof ik, juist van plan om hier uit zichzelf weg te gaan. En wat jou betreft: ik verzoek je 'n volgend maal te kloppen alvorens je binnen komt. Begrepen?"

„Ja, meneer."

„Dan kunnen jullie nu gaan." Hij draaide zich naar zijn schrijftafel om, en de meisjes trokken zich ontredderd terug.

In de gang kon Angélique zich niet langer inhouden; zij snikte.