is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarover bekomen, begon zij alles met scherp oog te zien. Hoe mama hem op een bijna onmerkbare wijze steeds en te allen tijde ontweek en hoe hij zijn teleurstelling daarover dapper wegslikte zonder er ooit uiting aan te geven. Hoe hij, aan een verborgen, onwrikbaar gebod in zichzelf gehoorzamend, mama voor hen hoog hield, bijna tot een idool verhief - een idool, dat ook hijzelf nog steeds scheen te aanbidden, vruchteloos, maar zonder het ooit op te geven.

Waarom deed mama hem dit aan? Die hield toch ook van papa. Maar waarom vonden ze dan den weg niet tot elkaar?! Waarom zwegen ze halsstarrig wanneer ze samen in de kamer waren? Als Liesbeth toevallig eens binnen kwam, vond zij papa achter een krant weggedoken; mama borduurde, maar spreken deden ze niet. Was dit altijd al zoo geweest?

Soms kwam ineens het duistere vermoeden in haar op: of er tusschen hen beiden misschien eenmaal iets gebeurd kon zijn wat nu voor het heele verdere leven onoverbrugbaar tusschen hen stond. Wrokte mama over iets wat papa haar eens had aangedaan? Liesbeth kon zich niet voorstellen wat dat dan geweest moest zijn, maar zelfs als hij schuld op zich geladen had, hoe kon mama dan zoo hardvochtig zijn, hem daarvan na jaren nog steeds niet te willen verlossen?

Liesbeth zocht hunkerend naar een gelegenheid om haar vader op discrete wijze te laten voelen, dat zij iets van zijn verborgen leed gemerkt had. Gemakkelijk maakte hij haar dit niet. Hij kon soms bijna norsch tegen haar zijn, om een te groote vertrouwelijkheid tusschen hen toch maar bij voorbaat uit te sluiten; toen zij zich eens zonder verklaarbare aanleiding op de lippen moest bijten om haar tranen te bedwingen, verwees hij haar naar mama: JfiAr kon zij uitschreien. - Maar zij was zijn dochter en dus_niet minder volhardend dan hij. Zij bleef in zijn nabijheid, of hij het nu wenschte of niet, en zoo begon zij langzaam-aan toch terrein te winnen: hij sprak wel eens enkele woorden tegen haar, die hij vroeger hoogstens tot Rudi gericht zou hebben. Hij zei: „Mama voelt zich niet goed vanmiddag. Ik heb het tante Frieda al gezegd, maar ga jij ook eens bij haar kijken." Zij volgde het bevel blij op. Dezen keer was het niet als een deemoediging bedoeld. Dezen keer bewees zij er hem een dienst mee, en dat wist hij natuurlijk zelf ook. Maria verwonderde zich over de prachtige rust en de wilskracht, die er van Liesbeth uitgingen. Was dit haar kind? Zij voelde zich zwak naast haar; ze bezweek bijna voor den drang om haar alles, alles te zeggen. Ze zou het gedaan hebben, indien