is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonbeschenen zuilen tegen het diepe hemelsblauw, de heerlijke zuiverheid van een Jonisch kapiteel, het dramatisch contrast van groenzwarte cypressen en blanke marmeren ruïnes. In Rome waren de meeste antieke monumenten de uitdrukking van wereldsche macht en grootheid geweest; in Griekenland had eens de gedachte aan schoonheid geheerscht en niets anders.

Maria keek peinzend op - dit alles wekte in haar zoo vreemde herinneringen. Had haar eerste verloofde... had Robert haar niet bijna woordelijk hetzelfde geschreven, toen hij zijn studenten door Griekenland rondleidde? Eens had zij die brieven uit het hoofd gekend. - En nu was het een oogenblik bijna alsof hij niet gestorven was, maar van zijn Grieksche reis teruggekeerd. Alsof hij daar weer ievend tegenover haar aan de tafel zat... Het drogbeeld duurde maar een seconde; als betrapt wendde ze zich naar haar man om: of ook hij misschien aan hetzelfde gedacht had. Neen, hij keek geïnteresseerd naar den verteller, al begreep hij dan ook waarschijnlijk niet hoe men zich voor verweerde klompen marmer een zoo verre reis getroosten kon...

Liesbeth zag meneer von Brandt varende door de blauwe Grieksche wateren, die de verweerde rotskusten van het oude Hellas blank schuimend omruischten, en zij begreep niet goed meer hoe het haar nog gegund kon zijn, hem als leeraar te hebben. Hij zou een klas vol jonge studenten in vervoering kunnen brengen, en in plaats daarvan was hij nu weer naar Maria-Licht teruggekeerd, bij Stephan, Angélique en haar.

Om zulk een meester tenminste zoo goed mogelijk waard te zijn, wierp zij zich met vernieuwden ijver op haar studie. De populaire Latijnsche klassieken kon zij nu al gemakkelijk lezen, en in het voorjaar kwam zij met Grieksch bijna even ver. Zij verlangde ernaar alle schrijvers, waarover hij haar gesproken had, te leeren kennen, en het kwetste haar, dat hij haar enkele werken nog niet in handen wilde geven. Zij werd dezen zomer nu al achttien, en op den duur zou hij zijn verbod toch niet kunnen handhaven 1 Juist door dit kinderachtig voorbehoud maakte hij bepaalde dingen, waaraan zij uit zichzelf stilzwijgend voorbij zou zijn gegaan, onnoodig pijnlijk, meende Liesbeth, die nog met weten kon aan welke vrijmoedigheden deze overigens te goeder naam en faam bekend staande klassieke auteurs zich in enkele hunner geschriften hadden schuldig gemaakt.

Angélique zag Liesbeth's strijd met meneer von Brandt met zonder leedvermaak aan. „Dat had ik nooit gedacht, dat jij zoo nieuwsgierig kon zijn," zei ze. Liesbeth zweeg; op dit punt was