is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zijn familie zoo tegen zich in het harnas zou jagen, was een omvangrijke matrone met standsbewustzijn geworden; deze drie decenniën huwelijksgemeenschap hadden haar voor haar eigen gevoel nu wel gelegitimeerd. Zij vertelde Georg wat ze met haar Johann allemaal had doorgemaakt; haar man knikte en lachte: zij beviel hem blijkbaar nog steeds goed, en overigens had hij niet veel in te brengen wanneer zij aan het woord was. Hij ondersteunde haar verzoek, om ook „de kinderen" eens gauw hier te zien, hoewel het hem niet ontgaan kon, dat Georg in deze richting slechts vage beloften deed.

Ze verstonden elkaar beter toen Elschen zich naar de keuken had teruggetrokken om koffie voor hen te zetten. Wat Georg thans over zijn jongeren broer Egon vernam, vestigde in hem de overtuiging, dat de tijd rijp geworden was om zich met hem te verzoenen. Egon was door gezondheidsredenen gedwongen geworden zijn prachtige politieke carrière af te breken alvorens deze tot de apotheose had gevoerd, die ieder hem eens placht te voorspellen, en leefde thans zeer teruggetrokken in een der Weensche voorsteden. Zijn eenige zoon, op wien hij al zijn eerzuchtige droomen had gezet, zat als Jezuïetenzendeling ergens diep in de binnenlanden van Afrika, na de hem door zijn vader in den schoot geworpen mogelijkheden voor een schitterende society-toekomst te hebben versmaad.

Samen met Maria, die uit zichzelf verklaard had graag mee te willen, zocht Georg zijn broer op.

Egon was een wrak geworden. Zijn eerzucht had hem z'n leven lang voortgejaagd en aan zijn zenuwen gevreten. En toen hij alles bijna bereikt geloofde te hebben, had hem die slag met zijn zoon getroffen. Zijn Joachim, de beste leerling van het gymnasium (gelijk hijzelf eens „Vorzugsschüler" en de trots zijner leeraren was geweest), had al zijn verwachtingen te niet gedaan door deze wereld te verzaken, die hem zoo prachtige kansen bood. Nu schreef de jongen hem nog slechts om verbandstoffen voor zijn negers, om kinine en jodium, en wat moest Egon anders doen dan hem dit alles maar te sturen? Die negers deerden hem niet, maar hij voelde zich oud en wilde graag zijn zoon nog terugwinnen, die destijds stijfhoofdig zijn huis was uitgeloopen.

Dit leed om zijn jongen zat hem zoo hoog, dat er in zijn gedachten nauwelijks meer plaats was om zich iets van een vroegere verkoeling tusschen zich en zijn broer te herinneren. Evenmin was er in hem nu dus ook een verlangen naar verzoening. Misschien had hij Georg's brief, waarin deze zijn bezoek aankondigde,