is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning met pathetische artikelen over de plechtige thuisvaart van het aartshertogelijk paar, eerst per kruiser, de vlag halfstok somber begroet door den verren donder der kustbatterijen; dan van Triest per specialen trein verder, in een omfloersten wagon. Daar de aartshertogin door haar lageren adelstand niet in de Capucijnergroeve der Habsburgers kon worden bijgezet, zou zij afzonderlijk begraven zijn geworden, indien de aartshertog in zijn testament niet den wil te kennen gegeven had om aan haar zijde te rusten in de door hemzelf gebouwde groeve op zijn landgoed in Neder-Oostenrijk. Ieder wist hoezeer deze eenzame, onvriendelijke en weinig beminde Franz Ferdinand aan de vrouw gehangen had, die hij tegen den wil van den ouden keizer had getrouwd. Hun gezamenlijke uitvaart, waarvoor keizers en koningen bijeen kwamen, bood nieuwe, rijke stof voor de in nationale phrasen zwelgende kranten; een artikel vol stemming beschreef de tragische overvaart der beide dooden over den door regen en storm wild geworden Donau; te Pechlarn, legendarische stad uit het Nibelungenlied, was een zoo hevig onweer boven den rouwstoet losgebarsten, dat men, bevreesd voor het op hol slaan der paarden, had moeten uitspannen en wachten tot de toorn der Nibelungen om een vermoorden Habsburger was uitgewoed. Men schreef thans over den doode alsof hij het idool der monarchie was geweest; men gewaagde in hartbrekende termen van den smart des keizers, hoewel het algemeen bekend was geweest, dat hij zijn neef nooit had kunnen verdragen.

Louise van Strada was naar Weenen teruggegaan: zij hoopte van de groote gebeurtenissen in de hoofdstad iets te zien te krijgen. Mizzi had geen toestemming gekregen alleen achter te blijven Guschtl droeg nu een foto van haar op zijn hart en was bereid om aldus op het eerste het beste slagveld den dood te trotseeren. Otto was met zijn Julia vertrokken; hij wilde graag hooren wat in het Grazer officierscasino de meeningen waren. Fritzl bleef nog zoolang de andere jongens bleven; het deed hem goed, zich door hun uniformen omringd te zien; soms vergat hij heelemaal, dat hij geen officier was, zooals zij.

Niet het intrekken der militaire verloven, maar het natuurlijk afloopen van hun verlof maakte een eind aan de logeerpartij der jonge luitenants; het glorieuze licht, dat hen een oogenblik omstraald had, dreigde te verbleeken. Op voorstel van Rudi zou men over Weenen terugreizen en daar nog een dag overblijven... Gelukkig kende Hilda, die zich bij het afscheid op heroïsche wijze in bedwang had, niet de reden van dit vervroegd vertrek. Lies-