is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen: hij, zijn vrouw en zijn zusje zouden morgenvroeg met Paul mee terugreizen als deze zich bij zijn regiment ging melden.

Maria had zich in haar slaapkamer teruggetrokken en lag daar in het donker, met dichte gordijnen; Frieda vertelde, dat ze haar een poeder had gegeven om haar wat tot rust te laten komen, en vroeg hem hoe het in de stad was. Toen hij in enkele woorden zijn indruk trachtte weer te geven, zuchtte ze en keek hem met stom verwijt aan - zoo ongeveer alsof hij het nog in zijn macht zou hebben gehad, dezen oorlog te verhinderen.

Hij liep door het huis om Liesbeth te zoeken en vond haar bij von Brandt, dien zij met inpakken hielp. Zij was uiterlijk kalm; zij hield zich zooals hij het van zijn dochter mocht verwachten. Hij draalde nog even met heengaan, bleef voor het venster kijken en vertelde zoo - den rug naar haar toegewend van het telegram, dat hij aan Rudi had gestuurd.

Liesbeth keek nerveus om, zag hem voor zich uit staren, in de ruimte. Aan Rudi dacht hij - verder bestond er niets en niemand voor hem. Dat ook Paul in dezen oorlog moest, drong nauwelijks tot hem door; hij stond erbij, dat ze Paul's kleeren inpakte, en zag het misschien niet eens.

Er steeg een wrange hoogmoed in haar op. Rudi's garnizoensvrienden hadden, den ganschen tijd dat ze hier waren, Paul nooit geheel als hun gelijkwaardige beschouwd; toen er voor het eerst sprake van oorlog was geweest, hadden ze voor zichzelf dadelijk het uitsluitend recht opgeëischt om de tragisch-heldhaftige rol daarin te spelen en er het applaus voor te oogsten. En onbewust had zelfs %i/ aan die bedriegelijke dwaling geloofd... Maar nu brak er werkelijk oorlog uit, en nu moest Paul en ieder ander even goed als zij voor zijn land strijden. Paul wond zich daarbij niet op tot iets als patriottisch enthousiasme; hij ging zonder strijdlust, zonder haat tegen den vijand van morgen; hij was innerlijk alleen maar verbijsterd: omdat hij dit alles niet meer voor mogelijk had gehouden, zich aan den droom had overgegeven, dat tusschen beschaafde volkeren nog slechts het recht kon beslissen en niet het wapengeweld. „Misschien moet deze oorlog nog uitgevochten worden om er eindelijk voorgoed de absurditeit van te bewijzen," zei hij tegen papa, die hierop echter niet antwoordde. Waarom verstoorden Paul's woorden papa? Was zulk een oorlogsdoel hem niet glorierijk en verheven genoeg om er Rudi aan te kunnen offeren? Vond hij Paul's opvattingen minder manlijk dan die der jonge officieren uit Czernowitz? Voelde hij dan niet, dat er een grootere moed voor noodig was om zoo,