is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooral te verzwijgen, dat het dezen keer een jongetje zou zijn geweest.

Dokter Prisswitz had zich reeds op een der eerste oorlogsdagen als vrijwillig arts gemeld en was ergens bij een veldlazaret ingedeeld; niemand wist waar, want hij liet niets meer van zich hooren. Volgens zijn ouden knecht was hij heengegaan, zeggende: „Johann, luister nou eens goed, ik ben binnen de maand terug, want langer duurt die oorlog niet volgens de lui, die er verstand van hebben; langer mag hij ook niet duren, want anders vind ik bij mijn terugkeer al mijn patiënten genezen zonder mijn hulp. Bewaar alle kranten en leg ze voor me op volgorde. Ik zal het daarbuiten te druk hebben met armen en beenen afzagen om over dezen oorlog ook nog iets te kunnen lezen; ik spaar me dat genoegen voor later op - het moet leerzaam zijn om achteraf, wanneer de heele onzin voorbij is, eens te lezen wat ze allemaal hebben durven schrijven en voorspellen..

Dus schikte Johann de kranten netjes op volgorde; de tijd zou aanbreken, dat hij ze eens in de maand met een touwtje moest samensnoeren en in stapels in de kast bergen; nog later, toen alles schaarsch begon te worden en de drukinkt zoo verschrikkelijk naar petroleum stonk, maakte Johann er beneden in den wijnkelder een paar schappen voor vrij, omdat het heele huis anders vergeven werd van de petroleumdampen. De wijn daar in dien kelder werd in de oorlogsjaren goed belegen; er kwam mos aan de flesschen; dit zou later een groote, blijde verrassing voor den huiswaartskeerenden dokter Prisswitz worden: aan dien voorraad wijn had hij na vier jaren heelemaal niet meer gedacht. Hij zei Johann alleen maar om oogenblikkelijk al die smerige kranten te verbranden, want dat hij tot aan zijn dood nooit meer een regel over dezen oorlog lezen wilde. En tegen zijn overlevende patiënten zuchtte hij, dat de wijn hem nog beter zou smaken wanneer die kranten er niet naast gelegen hadden: de leugens, die er uit waren opgestegen, hadden zich als kwade, giftige dampen aan het goddelijk vocht in de flesschen meegedeeld; een ander proefde dat misschien zoo niet, maar hij wel...

Johann kwam in den eersten tijd van zijn vereenzaming den majoor wel eens in Klagenfurt tegen en klaagde zijn nood: of hij het huis nu eigenlijk maar niet sluiten moest en bij zijn ongetrouwde zuster gaan inwonen. Bij ontstentenis van elk bericht van zijn meester ging hij eiken ochtend kijken of er weer nieuwe verlieslijsten waren aangeslagen; over den schouder van een voorman heen, moeizaam de namen spellend, zocht hij bij de P. Hij las: