is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den blik thans Frieda, die zich naar het venster afwendde.

Toen Liesbeth, eensklaps verlangend om hier weg te komen en weer buitenlucht in te ademen, huiverend overeind kwam en, zich met haar zakdoek de oogen afwisschend, de kamer uitliep, lag in de aarzelende verwondering waarmee Maria haar uit het bed gadesloeg reeds uitgedrukt, dat zij alles alweer minder goed begreep; dat haar gedachten alweer den ouden kant waren uitgedreven: naar haar kleinen, eersten Stephan, die, toen hij uit het venster in den dood was gesprongen, ook haar voor altijd van de anderen had weggerukt.

Liesbeth wist achteraf zelf niet zeker, of haar moeder haar geheim een oogenblik gedeeld had. Later, toen mama dood was, kon zij zich soms opeens nog weer dien peilenden blik uit het kussen herinneren en hoorde zij weer die vraag: „Liesbeth... ?"

Op een der eerste Decemberdagen, terwijl het sneeuwde over de donkere bosschen rondom Maria-Licht, kwam het einde. Men verwachtte het: gedurende de laatste week leefde Maria nog slechts op de poeders, die Frieda haar gaf. Zij herkende pastoor Aigner niet meer toen die haar kwam opzoeken en zelfs Stephan keklaagde zich, dat mama hem zoo vreemd had aangekeken, alsof ze niet meer wist wie hij was. Sedertdien had Liesbeth hem nog slechts met smeekbeden en onder aanwending van al haar zusterlijk gezag kunnen bewegen om de slaapkamer binnen te gaan, waarvan de luiken bijna geheel gesloten waren omdat mama het licht aan de oogen niet meer verdroeg. Maria was eens bang voor het duister geweest en voor de geluiden van den nacht; nu vreesde zij het licht; zij sprak den wonderlijken zin: dat zij beter zien kon wanneer alles donker om haar heen was. Ze sprak niet meer, scheen nog slechts te liggen luisteren - wat voor stemmen hoorde zij?

Op een vroegen Zondagmorgen kwam tante Frieda waarschuwen. Georg en Liesbeth begaven zich haastig naar de sterfkamer - men had besloten Stephan maar te laten doorslapen, tenzij Maria nog naar hem vragen mocht. Zij hijgde koortsig, maar het was geen angst voor den dood, het steunen van dit uitgeteerde lichaam; het scheen veeleer de gespannen hunkering naar bevrijding; het was slechts de angst, dat de dood zich nog altijd niet over haar zou willen erbarmen. Zij zag niemand van hen, die om haar heen stonden; zij zag nog slechts haar dooden jongen, bij wien ze nu eindelijk na een lange, vermoeiende reis zou weerkeeren.

„Stephan... Stephan..."

Eindelijk hield dit arme, gefolterde hart op met bonzen, en over