is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zijn. Maar ik heb het geweten: hoe dapper jij was. Ik wist: als ik nog eens naar huis kom, zal ze tegen me glimlachen zooals

vroeger." . . ,

Liesbeth's oogen, die hem starend bleven aanzien, vulden zich met tranen. Langzaam boog zij zich naar hem over, en hij streek haar met zijn vrije hand over het haar.

„Ik moest wel," fluisterde ze. „Tegenover papa. - En Stephan had mij noodig, voor zijn lessen.

Ze vermande zich; het schoot haar te binnen, dat zij hem nog iets vragen wilde: „Wat hoor je van Vera? — „Van haar zelf niet veel," antwoordde hij gelaten. Daar ze hem goed kende, hoorde zij in zijn toon thans een lichte vermoeidheid: „Ik krijg geregeld brieven van haar thuis."

„Dan neem ik aan, dat je weet wat Vera na Arnim's dood gedaan heeft?" ...

„Ja, ze is pleegzuster achter het front geworden. Hij liet slechts vaag iets als ironie door zijn stem klinken: „Ze zal het daar te druk hebben om te kunnen schrijven. Ik kom zelf pas uit het hospitaal... ik weet dus hoe druk ze het hebben, de zusters - niet alleen met de zieken en de gewonden."

Plotseling kwam er iets als vertwijfeling over Liesbeth. „Maar hoe kun jij nog van haar houden, Rudi, terwijl zij heelemaal niet meer aan jou denkt en waarschijnlijk al lang... ? Ik hoor a.an je stem, dat je haar nog altijd niet wilt opgeven. Zie je dan zelf niet in, dat dat dwaas van je is? Waarom verneder je je terwille van haar?"

Rudi dacht even na. „Verneder ik me dan, omdat ik nog altijd van haar hou? Ik val er haar niet lastig mee - dat zou ik misschien pas weer doen wanneer ik dezen oorlog overleven mocht. Denk je slecht van me wanneer ik je zeg, dat het me niets zou deren me te vernederen... terwille van haar? Ik bewonder haar. Zij heeft alles wat ik niet heb. Diep in me zal ik altijd het gevoel behouden, dat ik het leven niet aankan — dat zij het wèl aankan, daaraan twijfel jij toch zeker ook niet. Ik ben op duizend manieren geremd, door allerlei dwaze gevoeligheden, die me schuw maken en onzeker - zij lacht daar alleen maar om. Al wat zij doet kan haar in mijn oogen niet schuldig maken; ik geef mijzelf de schuld; ik zie er alleen maar het bewijs in, dat ik niet sterk genoeg geweest ben om haar aan mij te binden. - Jij mag haar niet lijden, omdat je gezien hebt, dat zij mij verdriet deed. Maar als ik dat nu eens verdiende?! Als ik dat nu eens noodig had?! Kun jij je niet voorstellen, dat dat me juist nog veel heviger naar haar toetrekt? En dan, Liesbeth... vind ik haar mooi. Mooi en begeerlijk. Het mooi-