is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aannemen en kon zich nooit eens revancheeren. Liesbeth haastte zich het onrecht goed te maken, dat zij hem had aangedaan; tenslotte verheugde zij zich over dit blijk van eergevoel in hem. Zij was er zeker van, dat hij weer bij de Klausen aan huis verkeerde, maar besloot er nu niets meer van te zeggen. Zij wilde geen onaangenaam woord meer met hem alvorens hij naar Weenen ging; zij wist, dat ze dat met maanden van bittere spijt zou moeten betalen. Ze duldde het, dat hij langzamerhand alleen nog maar naar huis kwam om te eten en te slapen, dwong hem niet langer tot jokken door hem te vragen waar hij geweest was - nog een paar weken, en hij ging naar Weenen, waar zich voor hem een nieuwe wereld ontsluiten zou, die hem Klagenfurt en de familie Klaus al heel gauw zou doen vergeten. Misschien werd hij nu alleen nog maar naar dat meisje gedreven om zich door haar in zijn rol van aspirant-student te laten bewonderen.

Toen Stephan op het laatst echter ook nog de maaltijden thuis begon over te slaan, maakte papa zich boos. Deze merkte weinig of niets meer van wat er in huis omging; hij leefde geheel in zijn eigen gedachtensfeer; een tijdje geleden had Liesbeth op zijn schrijftafel het begin van een brief aan Rudi gevonden, waarin hij zijn zoon op de wat stijf beheerschte wijze, die hem steeds eigen was geweest, het overlijden van mama berichtte. Liesbeth had aan den nog slechts oppervlakkig gedroogden inkt gezien, dat de brief zoojuist geschreven moest zijn, maar hij droeg als datum den tienden Mei 1915 - den dag waarop Rudi gesneuveld was. Uit alles bleek, dat papa het contact met de hem omringende werkelijkheid steeds meer verloor, maar aan één ding hield hij nog koppig en precies vast: hij verscheen op de minuut in de eetzaal en verlangde, dat ook zijn dochter en zoon dan present waren en dat de soep op tafel stond. De oude Anna, beneden in de keuken, functionneerde daar nog slechts als het levend geweten van Mariedl, die zorgelooze denkbeelden had omtrent den tijd waarop ze de boontjes en de aardappelen op het vuur moest zetten; Anna, uit haar stoel, dreef haar voort tot Mariedl, die bovendien weer in verwachting was, er zenuwachtig van werd: „Zeg, oud mirakel, wat jacht je me weer!" - „Ja-ja, maar dat moet 'n mensch bij jou wel." Door dit „oud mirakel" voelde Anna zich niet beleedigd, eerder integendeel: zij vond het prettig om een kwaad, oud en gevreesd mirakel te zijn; overigens wist zij toch wel hoe Mariedl het bedoelde. En Anna kreeg achteraf steeds gelijk, tot haar eigen vertwijfeling. Tegen eenen brak Mariedl het zweet uit; zoo nauw paste alles; Ignaz hield de soepterrien op om ze te laten vullen