is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stephan; het zou alles wel vergeefsche moeite zijn, maar zij kon niet anders. Zij moest hem zeggen welke angsten haar hart vervulden. Hij zou in deze regelen geen boos woord lezen, maar wel haar gansche zusterlijke liefde. Zij vroeg hem of ze zijn vertrouwen dan geheel en al verloren had? Zij erkende, dat alleen hijzelf bestemmen kon wie waardig was zijn hart te bezitten, maar zij kon niet nalaten hem te waarschuwen tegen de vrouw in het algemeen en tegen die van het tooneel in het bizonder; zij raadde hem aan, er toch vooral terdege op te letten, of deze niet alleen maar wat met hem speelde. Een meisje, dat hem tot grootere uitgaven dwong dan hij zich veroorloven mocht, kon hem niet werkelijk liefhebben. Zij schreef, dat zij bereid was veel te begrijpen en te vergeven - als ze er maar op vertrouwen mocht, dat hij nooit zijn eer en zijn smetteloozen naam te grabbel zou gooien en iets zou doen wat onherstelbaar was. Zij herinnerde hem er aan, dat zij zich voor hem, en voor niemand anders, zooveel moeite getroostte om deze bezitting hier in de bosschen naar haar beste krachten te beheeren: hij zou er de erfgenaam van zijn, en als hij hier later ooit getrouwd introk, zou zij dadelijk en zonder wrok voor zijn vrouw het veld ruimen. Zoo trachtte zij hem weer van het besef van zijn rang en stand te doordringen, hem althans van dat gevaarlijke speculeeren af te brengen. Ze verzond den brief, het hart vol hoop en vreeze. Maar elk antwoord bleef uit.

Ze was nu weer alleen met haar vader en den kleinen Jacques en trachtte haar werk te doen zonder voortdurend aan Stephan te denken. Maar hoezeer ze van zorgen om hem vervuld was, bleek haar zelf toen ze zich tegenover Toni ineens en tegen al haar voornemens in liet ontvallen: „Stephan komt pas tegen het eind van de vacantie naar huis, dezen keer..."

Had ze bij deze opwelling van zwakte, die in zijn aanwezigheid zoo verraderlijk over haar was gekomen, soms heimelijk gehoopt, dat Toni nu vragen zou stellen? Ze schrok van de mogelijkheid alleen en praatte vlug over andere, onbelangrijke dingen.

Maar Toni dacht er heelemaal niet aan om naar Stephan te vragen. Hij had geen ongewonen klank in haar stem gehoord en kon niet anders aannemen dan dat zij zoo maar wat converseerde omdat ze nu eenmaal samen buiten op het veld stonden. Zijn oude bitterheid steeg in hem op; hij wilde haar nu maar eens iets zeggen wat niet onder den gewonen conversatietoon viel, die haar steeds zoo gemakkelijk scheen te vallen. En zoo bracht hij haar nu met afgedwongen rust onder het oog, dat hij, na haar door den druksten tijd te hebben heen geholpen, er op vertrouwde langzamerhand