is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroeger, het klokgebommel van het huiswaartskeerende vee, de hooigeur, die uit den open stal naar buiten stroomde, de vertrouwde silhouet van het kasteel tegen den hemel waarlangs de maan nu zilverlichtend klom; de bongerd spon zich in nevelen, en alom was rust, rust. Maar deze rust zou zich nooit aan hem kunnen meedeelen zoolang in hem, ononderbroken, dat eene groote, weeë verlangen knaagde, dat het hem onmogelijk maakte, het geschenk van zijn thuiskeer dankbaar te aanvaarden.

Enkele dagen nadat von Hagel en Angélique naar Duitschland waren afgereisd, vatte de kleine Jacques wat kou en moest in bed blijven. Daar de koorts voorloopig niet hoog steeg, zag Liesbeth er maar van af, zijn moeder met een telegram te verontrusten hetzelfde raadde haar de jonge arts, die in de plaats van dokter Prisswitz kwam en haar met de mededeeling verraste, dat hij diens practijk voorloopig waarnam: zijn collega was door zijn steeds slechter wordend gezicht niet langer in staat te werken; hij liet zich op dit oogenblik te Weenen nog weer eens aan de oogen opereeren, maar verwachtte daar zelf niet veel meer van.

Het nieuws bedrukte haar onzegbaar; zij voelde zich schuldig tegenover haar goeden ouden vriena, dien ze zoo lang niet meer opgezocht had. Maar misschien zou ze nog wel eens naar hem toegegaan zijn, als ze maar het gevoel had gehad hem in zijn duistere woning wat vroolijkheid te kunnen brengen. Met haar zorgen had ze hem niet willen aankomen...

Doordat zij het zoo druk had met het verzorgen van haar kleinen beschermeling, ontging het haar welk een hevige reactie de ziekte van het kind bij haar vader teweeg bracht. De oud-majoor zat afwezig zwijgend aan tafel en at vrijwel niets; hij vroeg ook niet naar het ventje, en Liesbeth meende reeds, dat hij heelemaal niet meer aan zijn kleinkind dacht; zij sprak er daarom ook maar niet van.

Zij kwam niet op het denkbeeld, dat hij misschien heelemaal niet naar zijn kleinen vriend durfde te vragen omdat hij - steeds meer tusschen droom en werkelijkheid levend - hem gestorven waande, zooals Rudi en zooals den eersten Stephan; zij kende de wonderlijke en grondelooze angsten niet, die hem in zijn toenemende kindschheid verontrustten, hem in den nacht wakker hielden en met open oogen naar het zuchten van den wind in de bosschen deden luisteren, zooals eens Maria gedaan had. Ze besefte pas iets van zijn geheim verdriet toen ze hem op een morsen in tranen oo ziin kamer vond.