is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verheven voorbeeld had gegeven, kon Liesbeth dit zusterlijk misprijzen niet goed verdragen. Om zich niet onbeheerscht iets te laten ontvallen, wilde ze naar haar kamer doorloopen, maar Angélique, ontstemd over dit duidelijke voornemen, vroeg nog: „En waar zit hij nu? Over de grens? We boffen werkelijk nog, dat von Hagel een gentleman is."

„Vind je het in deze kwestie niet nog van méér belang wat Stephan is gebleken te zijn?"

„Hij is alleen maar zwak," vergoelijkte Angélique nu eensklaps. „En dat is, als je 't goed bekijkt, tenslotte de schuld van ons allemaal."

„Ieder van ons moet voor zichzelf weten hoeveel schuld hij heeft aan wat er hier gebeurd is," zei Liesbeth. Haar stem trilde. „En wat nog eens Freiherr von Hagel betreft: dien moeten wij de volle som terugbetalen, al wordt daardoor onze schande niet uitgewischt."

„Hij zit er niet op te wachten," merkte Angélique tergend frivool op. „Hij zei nog tegen me: Eigenlijk was het niet meer dan billijk, dat Stephan het tienvoudige heeft geïncasseerd van wat ik voor hem had uitgeschreven. Want toen hij met de chèque naar de bank ging, was de kroon alweer zooveel minder waard..."

Liesbeth stootte een geluid van minachting en weerzin uit.

„Nou ja," zei Angélique, „ik weet wel, dat jij niet in sophismen denken kunt. En toch is 't het eenige, geloof me. Je mag tegenwoordig niet sentimenteel tegenover het leven staan, als je niet gekraakt wilt worden. Jij leeft nog in de wereld van vóór den oorlog; ik sta er altijd opnieuw verbaasd van. Maar je zult misschien willen toegeven, dat de wonderlijke tijden, die wij doormaken, mede schuldig zijn aan veel verkeerds wat er gebeurt."

„Als wij ons daar zoo gemakkelijk bij neerleggen, verdienen we ook geen beteren tijd dan we nu hebben," meende Liesbeth.

Angélique haalde er slechts de schouders voor op. Zij had nog iets anders op het hart en verraste er haar zuster nu maar mee:

„Overigens wou ik je nog meedeelen, dat het uit is tusschen Siegfried en mij."

Liesbeth kon er niet toe komen, haar daarover thans haar spijt te betuigen. Angélique verwachtte dit trouwens ook niet. „Jij hebt het van me gewonnen," zei ze op denzelfden luchthartig spottenden toon. „Ben je vergeten wat ik je zei, den eersten keer, toen ik met hem naar Weenen ging? ,Als ik hier met hem terugkom, en hij kijkt dan nog naar jou, dan..- Toen dacht ik nog,