is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste wonderlijke dag als een doos om mijn aandoenlijke broosheid heen.

Ik wist niets van het toeval der geboorte, dat mijn leven bepalen zou. Wie was mijn vader en wie was mijn moeder en welke mogelijkheden hadden zij in mij gelegd? Ik heb het nog lang niet geweten en nu dit leven schrede na schrede is afgelegd, weet ik nog niet wat mijn wezen imperatief gebood en wat voortkwam of afboog door omstandigheden.

Mijn Moeder, o, arme vrouwe Mathilde! Zoo vroeg heeft zij me verlaten, zoo vroeg in een noodgil prijsgegeven aan het onberekenbare leven, al heeft zij me nog gekend als heel kleinen knaap, driftig en trouwhartig. Maar meer ging haar hart uit naar mijn zusje, twee jaar jonger, doch jaren die zich vele malen verdubbeld hadden, zoodat zij heel jong scheen naast mij en zij was zacht en bevallig. Ja, wie dwingt een arm redeloos hart?

Ik zal U besparen den tijd, dat ik U niet kende, want deze halve bewustheid der eerste jaren lijkt van weinig belang tegenover wat volgde; dit beveiligd toeven in het warme nest is geen leven, dat stand houdt, gesteld tegenover het uitvliegen in koude en gevaar met als eenig koerslicht het eeuwig gesternte of vaker zijn weerspiegeling in Uw wezen als op een rimpelloos vijvervlak.

En daarom geef ik van mijn herinnering prijs dien hoogen stillen dag, die plechtig tusschen ons beider levens schreed, dien we beiden zagen met groote drinkende oogen, en die ons zegenend verbond.

Het was de vroeguchtend van een lentedag en de zon klom juichend in de blauwe hemelbocht. De gouden stralen dansten over de daken, gleden over de goten en kroonlijsten neer en enkelen sprongen rap door de ramen de kamers binnen en bleven even als in bezinning staan: