is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heel ontzinde, liep ik schreeuwend terug naar boven en zei mijn zusje niets, die ook niet vragen kon. Ik weet niet, hoelang deze aanval duurde; ik weet alleen, dat ik den volgenden ochtend op het eerste geschel de groote voordeur opendeed en de oude dikke Bertha in haar katoenen gesteven japon en met haar lintjesmuts op het goedige bolle gezicht, verwarde inlichtingen gaf.

Haar gegil en schreien maakte geen indruk meer op mij. Wij kinderen bleven boven en af en toe kwam er iemand bij ons huilen, terwijlwij geen tranen meer hadden.

Als men van een weeshuis sprak, spitste ik de ooren.

Ook sprak een vriend van mijn vader over Barend, dat was Oóm Barend, maar men wist niet waar hij was.

„Coba, in een weeshuis gaan we nooit."

„Nee, nooit," zei Coba koppig.

En toen rijpte in ons een plan, dat wij hebben uitgevoerd en dat wonderlijkerwijze gelukte: wij vluchtten.

Er zijn van die dagen, die als duizend dagen zijn en ons leven doordringen met hun hevigheid.

Zoo is het vaak geweest, dat na een onrustigen slaap, een korte klap tuitte in mijn ooren, een onmenschelijke gil mij als staal doorsneed en ik in een luide hartklopping oprees, badend in 't zweet.

Dan was er om mij heen de eenzame duisternis, die ik niet doorpriemen vermocht; een grom dringt diep uit de keel naar de barrière der samengeperste lippen en ik weet mijn leed en mijn vloek.

Daarop klinkt „Paul — Paultje" en het bloote voetengetrippel en de grom wordt een zucht. — Ik leg mij weer terug op het kussen en ergens in de verte waaien blonde krullen en is een lachende mond, die zich biedt voor een eeuwige kans.

En weer verlaat ik een hel.