is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij ontweken soms elkander ieder in de met behulp van enkele inboorlingen gemaakte hut, als in een beveiligende afgeschermde stolp.

Doorstraeten las veel, schreef soms; de schilder probeerde het licht van deze wonderlijke droomwereld te vangen op zijn meesterlijke doeken, die hem zoo weinig voldeden, niet gaven wat hij zocht— de ongekunstelde kunst van het ware naakte.

Zij wisten van elkander niet veel, want zij waren hier om het achterliggende leven te vergeten, niet om het telkens in gesprekken te doen oplaaien tot een nieuwen brand van onrust en pijn.

In geen maanden was er tijding van buiten, slechts zelden liep een schip de stille haven binnen. Als zij wisten gelijk nu, dat dit geschied was, waren beide mannen onrustig. Hun gedachten sprongen onbedwingbaar door ruimten en tijd naar het land van jeugd en vroeger leven, naar de achtergelaten gezichten en stemmen —.

Zij zagen oogen, waarin het eens zoo wonderlijk goed was te kijken, zij hoorden stemmen, waar zij eens met verrukking of stille aandacht naar hadden geluisterd —.

Voor den schilder rees op het beeld van huizen in witte stof, de wijngaarden tegen de flanken der bergen, geroep en gezang van het oogstfeest; voor Doorstraeten het interieur van voorname huizen, een jonge schoone vrouw aan een klavier, haar lach en haar leed, haar woorden en het onzegbare stille spel der gebaren, en daarachter de vriend in vreeselijke smart en wraakgierigen toorn en een paar kinderen met vragende oogen. — Hij was dien hemel en hel ontvlucht, maar het leek of zoo'n schip dit mee kon nemen en onverwachts weer voor hem zetten, hier op het zonverbrande strand van het verloren Tahiti; dat toch als in een andere wereld lag, over de